In het Italiaanse Perugia vond van 30 april tot en met 4 mei het International Journalism Festival plaats. Op ongeveer 200 bijeenkomsten werd gesproken over nieuwe ontwikkelingen in de journalistiek. Hoe staat de datajournalistiek er bijvoorbeeld voor? “Het lijkt erop dat journalisten kunstenaars zijn geworden, we entertainen.

Vast onderdeel op het International Journalism Festival: de stand van zaken rond datajournalistiek. Giant Slalom, waarin wordt uitgelegd waarom Ted Ligety sneller slalomt dan anderen, was een van de voorbeelden die Aron Pilhofer, director Digital Strategy van de New York Times, aanhaalde om aan te tonen waar zijn team inmiddels toe in staat is.

Datajournalistiek als teamsport

Een ander voorbeeld betrof de in de VS immens populaire activity trackers, waarmee je meet hoeveel energie je verbruikt bij bepaalde activiteiten, hoeveel stappen je hebt gelopen etc.

Waar de vooruitgang het afgelopen jaar uit bestaat? “We zijn steeds beter in staat om producties te maken die een organisch geheel vormen. Beter teamwork leidt tot betere producties en datajournalistiek is een teamsport”, aldus Pilhofer.

Justin Arenstein

Dan is daar het verhaal van Justin Arenstein, zonder meer een van de meest interessante sprekers op het festival. Arenstein, 44, voorzien van lang krullend haar en een flinke baard, is een prijswinnend onderzoeksjournalist en media-strateeg die met partners in heel Afrika werkt om onderzoeksjournalistiek te ontwikkelen. Daarnaast helpt hij eigenaren van nieuwsorganisaties bij het gebruik van nieuwe technologie en bij het ontwikkelen van stevige businessmodels.

In 2009 en 2010 was hij fellow op Stanford University in de VS. Nu is hij onder meer actief als leider van het digitale programma van het African Media Initiative, een organisatie van zo’n 600 Afrikaanse media-ondernemers die gezamelijk zoeken naar manieren om nieuwe technologie te introduceren en met nieuwe verdienmodellen de toekomst veilig te stellen.

Een voorbeeld van Arenstein van datajournalistiek in Afrika anno 2014: zijn team ontwikkelde Star Health. Een datadriven applicatie die journalisten in staat stelt om te achterhalen of dokters wel deugen. Staat een bepaalde dokter wel geregistreerd, zijn er klachten over hem, vergoedt de verzekering de medicijnen en de behandeling, is het geen tandarts of veearts die je nieraandoening wil aanpakken (“Dat gebeurt echt in Afrika”, verzekert Arenstein), en waar zitten de echte specialisten? Soortgelijke applicaties kunnen ook worden gebruikt om bijvoorbeeld uit te zoeken waar schoon drinkwater te vinden is.

Simpele tools

“Het is geen rocket science”, zegt Arenstein later in een gesprek. Het zijn simpele tools, die nieuwsbedrijven kunnen aanschaffen zodat ze journalistiek relevante producties kunnen maken. “Wat moet nieuws doen? Ooit was nieuws belangrijk als het ging om je leven. Op welke weg zitten de bandieten, welke weg is veilig? In Afrika zijn andere dingen belangrijk dan elders.”

Om over data te kunnen beschikken, moeten beschikbare documenten worden gedigitaliseerd. “In Kenia zijn we drie jaar bezig geweest om de archieven van mediabedrijven te digitaliseren. Dat hebben we ook gedaan met parlementaire stukken, honderd jaar terug”, zegt Arenstein, die dit proces ‘liberating data’ noemt. Met de aanschaf van simpele informatietools kunnen deze data toegankelijk worden gemaakt.

Betalen voor nieuws

Ontwikkelkosten worden terugverdiend door de verkoop van de tools en door in de toekomst mee te delen in de opbrengst als de gedigitaliseerde archieven op een of andere manier geld gaan opbrengen. Arenstein: “Een nieuwsarchief is nooit oud en zit vol met bruikbare informatie voor tal van partijen. Journalisten gebruiken maar het topje van de ijsberg”.

Mediabedrijven hebben grote interesse in deze vorm van nieuws generen. Het vergt een grote investering, maar mensen willen betalen voor ‘original reporting’, nieuws dat elders niet te krijgen is, aldus Arenstein. “Zelfs in de townships in Zuid-Afrika, waar meer dan vijftig procent werkloos is, zijn met name jongeren bereid om te betalen voor nieuws”, zegt Arenstein. “Dat kan per mobiele telefoon. Voor een artikel betaal je een heel klein bedrag, een paar eurocent. Daar geven ze geld aan uit. Ze willen het nieuws weten”.

Innovatie per mobieltje

Innovatie gaat per mobieltje in Afrika. Er wordt mee gecommuniceerd en er wordt overal mee betaald, want aan cash geld is lastig te komen. Door de verschrikkelijke verkeersdrukte in Afrikaanse steden als Nairobi, ben je vaak een halve dag bezig om bij een bank of pinautomaat te komen.

En het nieuws gaat per mobiele telefoon. Probleem is vaak dat mensen geen geld hebben om een mobieltje aan te schaffen. Daar wordt aan gewerkt, aldus Arenstein. Het wordt mogelijk om met meerdere mensen een telefoon te kopen, waarbij ieder lid van de groep een eigen telefoon-account heeft. “Je tikt je persoonlijke code in en voor een half uur of zo is het jouw telefoon. Je doet je betalingen, checkt je sms’jes en leest nieuwsberichten”.

Technofoob

De producties van de New York Times zijn prachtig, zegt Arenstein. “Maar het lijkt erop dat journalisten ergens onderweg kunstenaars zijn geworden, we entertainen. Ik hoop dat de dag ooit komt dat mensen in Afrika het zich kunnen veroorloven, dergelijke producties. Nu moeten gezinnen soms van drie dollar per dag leven en is andere informatie nodig”.

Dat het daarbij om zeer basale datajournalistiek gaat, spijt de media-strateeg overigens niet: “Nee, ik heb eigenlijk nauwelijks een opleiding. Ik heb geen enkele school afgemaakt en ben opgeleid als archeoloog, niet op de universiteit, maar in het veld. Eigenlijk ben ik een technofoob. Ik haat mijn mobiele telefoon, ik neem zelden op. Als mijn team iets technisch ontwikkelt, ben ik het ijkpunt. Als Justin het snapt, snapt elke Afrikaan het”.

Lees ook de andere verslagen over het International Journalism Festival 2014.

Al 2 reacties — discussieer mee!