De Nederlandse documentaire is te braaf, stelde Dana Linssen. Filmmaker Marc Schmidt onderschreef die kritiek op de Nederlandse documentaire. Risico’s en experimenten worden gemeden, doordat er een taboe heerst op de mislukking. Op 9 mei organiseerde het Mediafonds in Amsterdam een conferentie over experiment in documentaire. Een verslag.

Foto’s: Corinne de Korver

De aftrap was van de Belgische filmmaker Johan Grimonprez, met een fragment van zijn film Shadow World, waar hij momenteel de laatste hand aan legt. Grimonprez probeert iedere keer weer met zijn films nieuwe lagen in de samenleving aan te boren. In zijn nieuwe film over de internationale wapenhandel wil hij het onzichtbare zichtbaar maken, en datgene op tafel leggen waar we liever niet over spreken.

John Carpenter deed dat in de film They Live (1988). Daarin ontdekt de hoofdpersoon dat de ogenschijnlijke normale wereld waarin hij leeft wordt beheerst door zombies. Pas als hij een speciale zonnebril op heeft ziet hij de wereld zoals die daadwerkelijk is. Dollarbriefjes veranderen dankzij zijn zonnebril in papiertjes met de tekst ‘this is your God’.

De onzichtbare ideologie van de zombies dwingt ons tot consumeren en het kritiekloos gehoorzamen aan autoriteit. De zombies ondergaan kortom klakkeloos de ongeschreven regels en wetten binnen een samenleving. Het is aan de documentairemaker om die te doorbreken. Maar hoe zit het met de documentairemakers zelf, vraagt moderator Ruben Maes zich af. In hoeverre worden die beheerst en ingeperkt door heersende ideeën over wat documentaire zou moeten zijn? Kortom: in hoeverre is de documentairemaker zelf ook een zombie?

Hubert Sauper en Johan Grimonprez

Camera is een prisma

Toen Grimonprez voor zijn eerste film een lange reis door de jungle van Irian Jaya maakte stuitte hij op een afgelegen dorpje. Verbaasd werd hem gevraagd waar zijn helikopter was. Het enige contact dat het dorp tot dan toe met de buitenwereld had was namelijk met antropologen die het dorp per helikopter bezochten. Dat bepaalde hun beeld van de buitenwereld.

Grimonprez besefte toen dat de wereld nooit is wat hij lijkt. Het is dan ook van cruciaal belang om de wereld zoals hij lijkt voortdurend te bevragen, maar ook je eigen positie in die wereld. Hoe kan het, vroeg hij zich af, dat ik als Westerse filmmaker in de positie ben om onderzoek te doen naar dit dorp in de jungle en daar ook nog eens een film over te maken? Als documentairemaker probeert Grimonprez de werkelijkheid altijd op een nieuwe manier te benaderen. De camera is voor hem een prisma, dat telkens weer een ander perspectief op de werkelijkheid biedt.

Moordscene als liefdesdaad

Waar zijn eerdere film Dial H-I-S-T-O-R-Y (1997) nog vooral een kritiek was op hoe media manipuleren en politiek worden ingezet, wil hij in zijn nieuwe film Shadow World een stap verder gaan. Hij wil nadrukkelijk geen cynische film maken. Hij doet dat door het thema corruptie op een verrassende manier te benaderen, namelijk als liefdesverhaal.

Inspiratie vond hij bij Truffaut die ooit over Hitchcock zei dat hij in staat was moordscènes als liefdesdaad te filmen. Juist door tegengestelde genres te combineren dwingt de maker ons de werkelijkheid op een andere manier te bekijken.

Grimonprez is voortdurend bezig een taal te vinden voor dat waar nog geen taal voor is. Dat hij zich beweegt in zowel de wereld van de documentaire als die van de beeldende kunst helpt hem daarbij, omdat hij vanuit de ene wereld altijd de andere kan bevragen.

Hét publiek bestaat niet

De tweede spreker Tom Fassaert heeft niet zo veel met het woord experiment. Wat voor de een experiment heet, is voor een ander business as usual. Zijn eerste lange documentaire De engel van Doel (2011) viel in Berlijn onder het kopje ‘experiment’, maar dat bleek niet het enige mogelijke etiket. De film reisde de wereld over onder de noemers: nucleaire film, politieke film, Christelijke film et cetera.

Fassaert spreekt dan ook liever over autonomie dan over experiment. Maar hoe creëert hij ruimte om autonoom te werk te gaan? Toen hij in het tweede jaar van de filmacademie zat, werd hem verteld dat hij filmconventies eerst moest leren kennen om er doorheen te kunnen breken. De regels en conventies begonnen echter te voelen als een loden last. Hij merkte dat hij films ging maken voor een imaginair kritisch publiek en sloeg helemaal lam. Hij raakte in een creatieve crisis en besloot dat hij alleen nog maar films zou maken waarbij hij zelf het referentiekader zou zijn. ‘Hét publiek’ bestaat immers helemaal niet.

Eisen van de academie

Vanuit die gedachte begon hij te werken aan zijn eindexamenfilm. Hij dompelde zich maandenlang onder in het Vlaamse dorpje Doel. Hij zwierf door de lege straten, zat als voyeur in de lokale kroeg en zong als ongelovige mee in de kerk. Hij wilde de tijd nemen om één te worden met zijn onderwerp. Vervolgens moest de eindexamenfilm worden gegoten in een versie die precies 24 minuten en dertig seconden lang was, met een maximum van 18 draaidagen en vijf weken montagetijd – de eisen van de academie.

Tom Fassaert

Fassaert besloot zich er niks van aan te trekken, en bevocht zijn vrijheid tot in de directiekamer aan toe, waar de directeur hem toevoegde dat hij de goede relatie met de omroepen in gevaar bracht. Het leidde tot een eindexamenfilm waarvoor hij een maand lang onafgebroken had gedraaid, tien weken montagetijd had genomen en die uiteindelijk tien minuten te lang duurde, ook al zette hij daarmee de genoemde relaties op het spel.

Ongewis en onvoorspelbaar

Ook Niels van Koevorden en Sabine Lubbe Bakker van de prijswinnende film Ne me quitte pas (2013) creëerden noodgedwongen hun eigen ruimte. Omroepen en fondsen waren in eerste instantie niet geïnteresseerd in hun film. Ze lieten zich niet weerhouden en creëerden de ruimte om het helemaal aan te pakken zoals ze dat zelf wilden, wat de film misschien wel ten goede is gekomen.

Deze film draait om het ongewisse en het onvoorspelbare, en dat is op papier lastig te verkopen. Toch is dat volgens Fassaert de essentie van autonoom makerschap: ‘je creëert een complex probleem, verdrinkt daarin en probeert de weg weer terug te vinden. Autonomie heeft niks te maken met geld, omroepen, fondsen, regeringen of welke partij dan ook. Het is de moed om je eigen verbeelding, fantasie of gênante gedachtekronkels centraal te stellen. Pas dan ben je werkelijk vrij. Het besluit of een idee bestaansrecht heeft ligt bij niemand anders dan de maker’.

Ruimte voor experiment

Ruimte voor autonomie en experiment, dat is precies waar de Masteropleiding van de Nederlandse Film en Televisie Academie vijf jaar geleden voor werd opgericht. Lector Mieke Bernink vertelt dat deze opleiding is opgezet omdat er in het onderwijs en de filmsector te weinig ruimte was voor experiment en onderzoek.

De sector is van nature gericht op resultaat, de masteropleiding is dat juist niet. Bij de masteropleiding draait het om research en proces, waarbij het eindresultaat ongewis is. Nationale en internationale studenten uit verschillende kunstdisciplines worden gestimuleerd de dialoog met elkaar aan te gaan.

Grenzen verleggen

Studenten krijgen twee jaar lang de ruimte om hun identiteit als filmmaker te onderzoeken. Wie zijn ze, waar staan ze, waarom doen ze wat ze doen en hoe dit te conceptualiseren? Ze worden uitgedaagd om te experimenteren en (hun eigen) grenzen te verleggen. Maar het verleggen van die grenzen moet wel relevant zijn, anders wordt het een experiment om het experiment.

Tijd is een cruciaal aspect van de opleiding. Studenten krijgen tijd om te verdwalen, maar ook om de weg weer terug te vinden op zodanige wijze dat er ook verdieping heeft plaatsgevonden. Ook na de opleiding zou er ruimte moeten zijn voor zoeken en experimenteren, denkt Bernink. Het zou goed zijn als er ook buiten de Masteropleiding een vrijplaats wordt gecreëerd waar makers de ruimte krijgen voor hun zoektochten.

Essayistische films

Bernink hoopt dat de opleiding masterstudenten aanzet om niet alleen maar klassieke documentaires te maken met een aantrekkelijk onderwerp, een heldere dramatische opbouw, en één of enkele hoofdpersonen. Als onderzoek en experiment serieus worden genomen komen er vanzelf meer essayistische films. De essayistische film bestaat wel, maar wordt steeds meer richting de beeldende kunst gedreven. Het filmessay vraagt om een aanpak die persoonlijk is – om makers die een eigen pad durven te kiezen.

Filmmaker Menna Laura Meijer bevestigt dit. Het filmessay vergt een heel andere manier van vertellen en een abstractere manier van denken. Het huidige klimaat daagt makers te weinig uit om uit hun comfort zone te treden. Een essayistische film als Dial H-I-S-T-O-R-Y zal bijvoorbeeld niet snel op televisie te zien zijn.

Menna Laura Meijer

Overigens wordt het idee van de totale vrijheid en autonomie sterk gerelativeerd door kunstenaar en filmmaker Barbara Visser. De verheerlijking van de autonomie is in de beeldende kunst zo ver doorgeschoten dat het begrip geen betekenis meer heeft. Juist omdat er binnen de documentaire duidelijker grenzen worden gesteld, word je als maker uitgedaagd om te zoeken naar nieuwe oplossingen.

Een gespreid bedje

Vanuit meerdere kanten wordt het gevoel gedeeld dat de Nederlandse documentaire te braaf is, en ook internationaal steeds minder aansluiting heeft. Wellicht is de situatie in Nederland te comfortabel. Jonge documentairemakers komen in een gespreid bedje terecht, waardoor de aandrang om over de eigen grenzen te kijken minder groot is, zo stelt Matthijs Wouter Knol van de Berlinale. In Nederland lijkt bovendien de ambitie te ontbreken om internationaal te opereren.

De braafheid komt niet alleen voort uit een gebrek aan internationale ambitie, maar ook omdat er te veel van te voren wordt ingevuld. Dat is tenminste de stelling van Hans Aarsman, die zes jaar lang adviseur was bij het Mediafonds. Te veel documentaires volgen het Hollywood-stramien: een karakter wordt geïntroduceerd, een probleem wordt ontvouwd, dat na een stuk of drie obstakels te hebben overwonnen wordt opgelost.

Ook de eisen van fondsen dragen daar aan bij. Makers moeten hun onderwerp uitgebreid beschrijven, een heldere visie formuleren, en een aantal voorbeeldscènes op papier zetten. Aarsman herinnert zich een documentaire van Ramon Gieling over Johan van der Keuken. Van der Keuken instrueerde zijn personages tot drie maal toe wat ze moesten zeggen. Dat doet toch wel erg aan fictie denken, behalve dat de acteurs niet worden betaald. Documentaires worden te vaak bij voorbaat ingevuld door de makers, terwijl de werkelijkheid die zich voor je ogen voltrekt veelzijdiger is dan je ooit zou kunnen bedenken.

Persona non grata

In Nederland mogen dan zelden echt grote films worden gerealiseerd die furore maken binnen het internationale festivalcircuit – de films van Hubert Sauper, de tweede internationale gast van de middag, doen dat wel. Darwin’s Nightmare (2004) was een relatief kleine productie, maar het enorme succes ging met de documentaire aan de haal. De film won talloze prijzen en werd genomineerd voor een Oscar.

De keerzijde van het succes was dat Sauper tot persona non grata werd verklaard in Tanzania. Zelfs de president verketterde Sauper en een van de belangrijke personages uit de film werd met een camera op zijn neus gedwongen te zeggen dat Sauper de elektrische stoel verdiende. De filmmaker werd door verschillende partijen voor de rechter gedaagd, omdat Darwin’s Nightmare niet echt zou zijn.

Politiek gevoelig

Hij won alle rechtszaken, maar was vanaf dat moment een omstreden persoon in talloze regimes. Hoewel de exposure van Darwin’s Nightmare een sterk politiek karakter had, beschouwt Sauper het in de vorm als een heel formalistische film. Hij werd echter geconfronteerd met een hoge mate van visuele ongeletterdheid – zijn film werd niet in alle delen van de wereld even goed begrepen.

De controverse rondom Darwin’s Nightmare zorgde ervoor dat Sauper zijn plannen niet meer op papier kon zetten. Zijn nieuwe project bleek daarvoor politiek te gevoelig te liggen. Daarom heeft hij voor We come as friends financiers mondeling via pitches en lezingen moeten overtuigen om geld in zijn project te steken. Geldschieters hebben zich flexibel opgesteld, en daar kunnen fondsen in Nederland een voorbeeld aan nemen.

Extreme films

Niet alleen filmmakers moeten experimenteren, ook de fondsen moeten dat doen, maar dan in de wijze van financieren. We come as Friends (2014) is gesitueerd in Zuid-Soedan, en minstens zo politiek gevoelig als zijn vorige documentaire. Gewoon de grens oversteken kon niet, en dus bouwde hij een eigen vliegtuig waarmee hij Zuid-Soedan binnenkwam.

Iedere film opnieuw werpt Sauper zichzelf volledig in de strijd, zowel mentaal als fysiek. Hij neemt daarbij grote risico’s, maar zoals hij zelf stelt: ‘als je jarenlang bij een bank hebt gewerkt, en je komt er achter dat je eigenlijk iets anders had willen doen met je leven, heb je dan geen veel groter risico genomen? Ik maak dit soort extreme films, die jaren van mijn leven kosten, omdat het de enige manier is waarop ik nog kan leven’.

Propaganda voor NGO’s

Films maken is voor Sauper een manier om de wereld beter te begrijpen. En dat is nodig ook. Tegenwoordig domineert volgens de regisseur de onderwerpgedreven documentaire met een politieke agenda, waar vaak fors voor wordt betaald.

Volgens Sauper is 95 % van alle non-fictie propaganda voor NGO’s of zelfs voor specifieke regimes. Dergelijke films spelen zich af op het zuidelijk halfrond en er is vaak een blank persoon die het verschil maakt. Dat is het frame waarbinnen zulke films gemaakt worden. Zelf is Sauper telkens weer op zoek naar nieuwe vormen om nieuwe (politieke) realiteiten te kunnen zien.

Financiering en zeggenschap

Johan Grimonprez vertelde eerder op de dag al dat je als filmmaker voortdurend balanceert tussen het zoeken naar financiering en het behouden van je autonomie. CNN bood aan om zijn film over de wapenindustrie volledig te financieren, maar wilde dan zeggenschap hebben over de montage. De producent en de schrijver van de film waren akkoord, maar voor Grimonprez was dat absoluut geen optie.

Hij kent het verhaal van een door CNN gefinancierde film over Bahrein, die uiteindelijk nooit het licht heeft gezien omdat de regering van dit land een belang had in CNN en vertoning tegenhield. Voor Grimonprez is het een schizofrene beweging die je als filmmaker maakt: je wilt een zo groot mogelijk publiek, maar tegelijkertijd stelt deze ambitie paal en perk aan je autonomie.

Toch moet je volgens Grimonprez af en toe ook met mainstream-strategieën mee kunnen gaan, om systemen van binnenuit te kunnen bekritiseren. Grimonprez wil met Shadow World een breder publiek aanspreken dan in zijn eerdere films, zonder zijn ziel te verkopen. Ook voor kritische films is een publiek. Bovendien zijn er tegenwoordig talloze kanalen en platforms om je film de wereld in te brengen.

iPad documentaires

Een van die platforms is de iPad. Filmmaker Marjoleine Boonstra produceerde samen met Submarine een documentaire-app speciaal toegespitst op de iPad. Het zijn ultrakorte verhalen waarin tekst, fotografie en film worden gecombineerd.

Boonstra vertelt dat de korte film altijd een belangrijke rol voor haar heeft gespeeld. Wil een korte documentaire zeggingskracht hebben, dan is het extreem belangrijk om de vorm en het concept waarin je de film giet goed te doordenken.

Voor haar korte film Sa Nule, gesitueerd in een vluchtelingenkamp, zette ze vluchtelingen voor de spiegel en stelde hen de simpele vraag: wat zie je? De mensen zagen zichzelf voor het eerst in negen maanden weer in de spiegel, wat leidde tot bijzondere bespiegelingen en een indringende documentaire van negen minuten.

Clichés en misverstanden

Caspar Sonnen van IDFA Doclab denkt dat nieuwe platforms als de tablet de traditionele media wakkerschudden. De televisie is niet meer die kijkkast die op een centrale plek in de woonkamer staat, maar slechts een van de vele schermen waarop je media tot je kunt nemen.

Documentaire is bij uitstek de kunstvorm die het experiment met nieuwe media aangaat, aldus Sonnen. Kijk maar naar de opkomst van bijvoorbeeld de fotografie en de film. De eerste experimenten waren documentaire-experimenten. Datzelfde zie je nu weer met een nieuw medium als de tablet. En dat op die nieuwe media geen spanningsboog zou kunnen worden gecreëerd is een cliché en een groot misverstand, voegt Boonstra daar aan toe.

Filosofie van De Correspondent

Op het gebied van de documentaire gebeurt er dan ook veel op het internet. Een voorbeeld is het nieuwe journalistieke platform De Correspondent , waar iedere week weer nieuwe korte documentaires te zien zijn.

Filmmaker Jos de Putter vraagt regisseurs van over de hele wereld om korte producties te maken voor de site. Een van hen is Morgan Knibbe, die met een Wildcard van het Filmfonds al bezig was met een lange documentaire over schipbreukelingen bij Lampedusa en speciaal voor De Correspondent een korte versie maakte.

De filosofie van De Correspondent sluit voor Knibbe uitstekend aan bij de manier waarop hij films wil maken. Knibbe denkt dat jonge filmmakers op zoek zijn naar een nieuwe subjectieve beeldtaal, die haaks staat op de zogenaamde ‘objectiviteit’ van het nieuws of van veel klassieke documentaires.

Johan Cruyff

Het is de vraag wat alle inzichten die zijn opgedaan nu betekenen voor omroepen en fondsen. Eindredacteur van de VPRO Barbara Truyen stelt dat er maar weinig echte filmauteurs zijn als Johan Grimonprez. Ze krijgt te weinig plannen binnen waaruit een heel duidelijke visie spreekt.

Pieter Fleury, consulent documentaire bij het Filmfonds, is het daar niet mee eens. Hij denkt dat we de discussies van deze dag twintig jaar geleden op dezelfde manier gevoerd zouden hebben, terwijl er in die twintig jaar de prachtigste films zijn gemaakt.

Eerder op de dag werd gesteld dat niet iedere filmmaker een Johan Cruyff kan zijn, en dat je van Berry van Aerle geen Cruyff moet willen maken. Fleury is het daar niet mee eens. Alle makers zijn in staat om geweldige films te maken, en iedere keer is er weer een andere Johan Cruyff die opstaat.

Loketjes en trajectjes

Maar wat kunnen fondsen doen om meer ruimte te bieden aan de echte filmauteurs? Het Filmfonds heeft onlangs de regeling Oase gelanceerd, die makers al in een heel vroeg stadium in staat stelt om hun plannen in de prilste status verder te ontwikkelen. Ingrid van Tol, hoofd documentaire bij het Mediafonds, vertelt dat het fonds overweegt om een nieuwe regeling in het leven te roepen, die documentairemakers de ruimte biedt om visueel onderzoek te doen, zonder dat dit per se hoeft te leiden tot een concreet eindresultaat.

Het gevaar is echter dat met dergelijke regelingen weer nieuwe loketjes en trajectjes worden opgericht, waardoor het subsidiesysteem alleen nog maar complexer wordt. Het wordt hoe dan ook breed gedeeld dat het goed zou zijn als er door fondsen wat flexibeler met regels zou worden omgegaan. Het besef dat vrijheid van cruciaal belang is lijkt te groeien, zo stelt ook producent Joost Seelen.

Omdat het altijd beter kan

Zo eindigt de dag met een slotwoord van Mediafonds-directeur Hans Maarten van den Brink. Niet de fondsen, maar juist ook de makers moeten met nieuwe ideeën komen. Geldgevers hebben snel de neiging nieuwe regels te maken in de hoop problemen netjes op te lossen, maar waar hebben de makers behoefte aan?

Iedereen wordt dan ook opgeroepen om ideeën over het creëren van meer vrije ruimte te delen. Niet omdat het slecht gaat met de Nederlandse documentaire – er is veel geld beschikbaar, documentaires vallen regelmatig in de prijzen, en worden niet meer louter aan de randen van de nacht geprogrammeerd – maar omdat het altijd beter kan. We mogen nooit op onze lauweren rusten: juist als het goed gaat, moeten we kijken hoe het anders en beter kan. 

Johan Grimonprez en Hubert Sauper zijn in het najaar in Amsterdam op uitnodiging van respectievelijk de Nederlandse Filmacademie en IDFA.

Dit artikel verscheen eerder in iets gewijzigde vorm op de site van het Mediafonds.

Nog geen reactie — begin de discussie!