Achttien jaar nadat het Europees Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) een recht op bronbescherming voor journalisten erkende, is het zover. Afgelopen maandag stuurde minister Opstelten van Veiligheid en Justitie het wetsvoorstel Bronbescherming in strafzaken naar de Tweede Kamer. Negen vragen over dit wetsvoorstel.

1. Hadden journalisten in Nederland geen recht op bronbescherming?

Er is al eerder een poging gedaan om het recht op bronbescherming in Nederland bij wet te regelen. In 1993 diende toenmalig Kamerlid Erik Jurgens een initiatiefwetsvoorstel in. Jurgens, die tevens hoogleraar Staatsrecht was, verliet echter spoedig daarna de Kamer en zijn voorstel werd uiteindelijk niet behandeld.

Dat is deels te verklaren door het Goodwin-arrest van het Straatburgse Hof. In 1996 oordeelde het EHRM dat uit de persvrijheid voortvloeit dat journalisten een recht hebben om hun bronnen te beschermen. Zeven jaar later voegde het Hof eraan toe dat aan een inbreuk op dat recht strenge eisen gesteld moeten worden. Die eisen zijn nog strenger wanneer er dwangmiddelen als doorzoekingen of telefoontaps worden ingezet. In feite was het recht op bronbescherming dus al op Europees niveau geregeld.

2. Waarom heeft Nederland nu een eigen wet op bronbescherming nodig?

Na het Goodwin-arrest werd Nederland drie keer op de vingers getikt omdat het haar zaakjes niet op orde had. Daarmee werd het één van de stoutste kindjes van de Europese klas.

In de laatste zaak, die van De Telegraaf tegen Nederland, oordeelde het Hof in 2013 dat de Nederlandse procedures niet langer voldeden. De Nederlandse praktijk waarbij een officier van justitie op eigen houtje kan beslissen of er dwangmiddelen als telefoontaps ingezet worden tegen journalisten, werd resoluut van de hand gewezen. Dat dwong de regering tot een wettelijke aanpassing van de procedures te komen, waarna werd besloten om dan maar het volledige bronbeschermingsrecht in één keer aan te pakken.

Thomas Bruning, algemeen secretaris van de Nederlandse Vereniging voor Journalisten (NVJ), was maandag vooral opgelucht.

“Eigenlijk is het een schande dat het zo lang heeft geduurd voordat er een wetsvoorstel kwam. Nederland is al drie keer veroordeeld en al in 2007 is aangekondigd dat er een wetsvoorstel zou komen. Het is nu 2014 en het voorstel ligt er nu pas.”

3. Wie krijgt recht op bronbescherming?

De beslissing om een wetsvoorstel in te dienen betekent dat er keuzes gemaakt moeten worden. Wie krijgt bijvoorbeeld het recht om zijn bronnen af te schermen? De vraag was zo’n dertig jaar geleden, toen grote mediabedrijven de dienst uitmaakten en blogs, Youtube en sociale media nog uitgevonden moesten worden, een stuk gemakkelijker te beantwoorden dan nu.

In de memorie van toelichting legt minister Opstelten uit wie er aanspraak kan maken op bescherming. Wat hem betreft gaat het om ‘personen die beroepsmatig of regelmatig als journalist in het kader van nieuwsgaring informatie verzamelen of verspreiden.’

Zij zijn echter niet de enige die aanspraak kunnen maken op het nieuwe recht. Minister Opstelten breidt het recht ook uit tot publicisten, personen die schrijven ‘over politieke of actuele aangelegenheden’. Daarbij kan het volgens hem bijvoorbeeld gaan om wetenschappers, ‘beheerders van een website waarop een maatschappelijk issue aan de orde is’ en ‘personen die regelmatig publiceren over terreinen waarop zij deskundig zijn.’

Een derde groep wordt gevormd de personen die geen journalist of publicist zijn, maar een van de eerste twee groepen afgeleid recht hebben. Daarbij valt te denken aan redactiemedewerkers, bureauredacteuren of secretaresses die uit hoofde van hun functie ook de aan journalisten of publicisten vertrouwde informatie ontvangen.

4. Waarom geen strikte definitie van wie journalist is?

In het voorstel is geen strikte definitie opgenomen van wie journalist is. Het zou ervoor zorgen dat de wet onnodig uitgebreid en inflexibel wordt.

Thomas Bruning is tevreden met het feit dat er geen definitie in het voorstel is opgenomen.

“Dat is exact wat we als NVJ meerdere malen hebben geadviseerd.” Hij ziet echter ook dat de definitiediscussie vooral van theoretische waarde is. “Bronnen die daadwerkelijk waardevolle informatie hebben, zullen inderdaad een podium kiezen dat een grote doelgroep heeft en van wie zij de journalisten vertrouwen. Dat zal bijna altijd gaan om mensen die iedereen direct zou aanmerken als journalist.”

Toch zijn er volgens hem twijfelgevallen die bescherming verdienen.

“Denk maar eens aan wetenschappers of mensen die heel specialistische bladen of sites maken.”

Opgemerkt dient te worden dat de brede definitie die minister Opstelten heeft gekozen, een andere is dan minister Plasterk gebruikt in de Wet Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten. Die organisaties is opgedragen enkel bij beroepsmatige journalisten vooraf rechterlijke toetsing van de inzet van dwangmiddelen te vragen.

5. Welke bescherming krijgen journalisten?

Het journalistieke verschoningsrecht houdt in dat journalisten mogen weigeren om hun bron te openbaren. Dat betekent dat zij niet gedwongen kunnen worden om te getuigen wanneer zij daardoor de identiteit van hun bron openbaar maken.

Naast een getuigenis hebben politie en justitie veel meer middelen om de identiteit van een bron te achterhalen. Een regeling met betrekking tot dwangmiddelen als telefoontaps, doorzoekingen, inbeslagnemingen en soortgelijke middelen kon dan ook niet uitblijven. Het Straatsburgse Hof heeft daarbij in de Telegraaf-zaak al een flink schot voor de boeg genomen. Zij stelde dat bij het inzetten van dwangmiddelen tegen journalisten een voorafgaande toets door een onafhankelijke rechter moet plaatsvinden.

In het voorstel wordt die bevoegdheid neergelegd bij de rechter-commissaris. Op dit moment kan dat in spoedgevallen nog door de officier van justitie gebeuren, maar die mogelijkheid verdwijnt met de invoering van het wetsvoorstel.

Wanneer taps of andere dwangmiddelen echter niet door de politie worden ingezet, maar door de inlichtingendiensten, wordt journalisten minder bescherming geboden. Zo mag de zogenaamde schepnetmethode, waarmee op grote schaal informatie wordt binnengehaald, nog steeds ingezet worden tegen journalisten.

6. Kunnen journalisten nog gegijzeld worden?

Opvallend is dat de mogelijkheid om journalisten te gijzelen ook blijft bestaan en er bovendien weinig in die procedure veranderd. De enige wijziging die plaatsvindt is dat de rechter – net zoals bij de gijzeling van advocaten of artsen – de mogelijkheid krijgt een vertegenwoordiger van de beroepsgroep om advies te vragen.

Volgens Bart Mos, één van de journalisten die in de Telegraaf-zaak werden gegijzeld, is dat een slechte zaak. Nadat Mos en zijn collega Joost de Haas over geheime AIVD-documenten publiceerden, werden hun telefoons in 2006 getapt. Bovendien werd gevraagd de documenten te overhandigen. Het duo weigerde dat en werd in totaal drie dagen gegijzeld. Tot in Straatsburg moesten ze vechten om hun gelijk, maar uiteindelijk kregen Mos en De Haas dat.

Mos vertelt:

“Zo’n gijzeling gaat je niet in de koude kleren zitten. Je komt als journalist in aanraking met een ongelooflijk machtig wapen van de overheid. Dat is bijzonder wrang, omdat ik naar mijn mening juist had gehandeld. Ik had de samenleving een dienst bewezen door te publiceren over fouten bij de AIVD, maar moest uiteindelijk drie dagen in de cel zitten.”

Hoewel de procedure in het wetsvoorstel nauwelijks verandert, hoopt Mos dat rechters-commissarissen door de nieuwe wet twee keer nadenken voor ze een journalist gijzelen.

“Journalisten horen niet in de cel.”

Toen de journalisten Bart Mos en Joost de Haas door justitie werden gegezijeld in 2006, verscheen deze voorpagina van De Telegraaf
Toen de journalisten Bart Mos en Joost de Haas door justitie werden gegezijeld in 2006, verscheen deze voorpagina van De Telegraaf

7. Zijn er ook uitzonderingen op het recht op bronbescherming?

Er bestaat geen recht zonder dat er uitzonderingen op mogelijk zijn, zo weet elke jurist. De hierboven besproken rechten die journalisten krijgen vormen daarop geen uitzondering. In het wetsvoorstel dat maandag werd gepresenteerd staan echter geen uitzonderingsgronden. Minister Opstelten beargumenteert dat in de memorie van toelichting als volgt:

“Het lijkt mij niet juist om op voorhand te bepalen dat alleen ter voorkoming van nog te plegen strafbare feiten de zwijgplicht kan worden doorbroken (…). Ik geef er de voorkeur aan de afweging van de verschillende belangen in concreto op te dragen aan de rechter.”

Dat wil niet zeggen dat we totaal moeten gissen naar in welke gevallen bronbescherming een uitzondering lijdt. In een arrest van 1999 oordeelde de Hoge Raad bijvoorbeeld dat video-opnames van een mishandeling van een agent in beslag genomen mochten worden omdat

“het belang van de strafvordering bij het aan de dag brengen van misdrijven die de rechtsorde ernstig
aantasten zwaarder weegt [dan journalistieke bronbescherming, HS].”

Daarnaast kan gedacht worden aan terrorisme, zeer zware criminaliteit, of een zogenaamd ‘ticking bomb’-scenario, zoals een persoon die ontvoerd is op een onbekende plek.

8. Is er ook kritiek op het wetsvoorstel?

Otto Volgenant, media-advocaat bij Boekx Advocaten, is gematigd positief over het voorstel en de bescherming die aan journalisten wordt geboden. Hoewel de bescherming op het eerste zicht op het Europese beschermingsniveau wordt gebracht heeft Volgenant toch drie kanttekeningen.

Allereerst moet de systematiek het ontgelden:

“Er wordt geen nieuwe wet gemaakt, maar er wordt op heel veel plekken iets aangepast. De Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten wordt aangepast, en daarnaast allerlei bepalingen in het Wetboek van Strafvordering. Dat zorgt voor een lappendeken, waarbij moeilijk te zien is of alles wel goed wordt beschermd.”

Zijn tweede verwijt is gericht op de bescherming van journalisten tegen inlichtingendiensten.

“Het voorstel beschermt enkel bronnen die expliciet vertrouwelijkheid hebben geëist. In sommige gevallen beoordelen journalisten zelf dat het niet slim is om de identiteit van een bron openbaar te maken, zonder dat de bron dit eist. Dat soort gevallen ontbeert in het voorstel bescherming.”

Het derde punt dat Volgenant aansnijdt is het fundamendeelst.

“De inlichtingendiensten doen aan grootschalige dataverzameling. Die schepnetmethode levert natuurlijk allerlei data over journalisten en hun bronnen op. Het voorstel stelt nu dat het pas is toegestaan om onderzoek te doen dat specifiek gericht is op het achterhalen van de identiteit van de bron, als de rechter daar voorafgaande toestemming voor heeft gegeven. Als echter alle mails van de journalisten van een krant worden ingezien, is dat niet per se met het doel de identiteit van de bron te achterhalen, maar zo wordt die identiteit wel bekend.”

Volgenant vervolgt:

“En als de identiteit van een bron eenmaal bekend is geworden, dan kun je die wetenschap nooit meer ongedaan maken. Het enige wat je zou kunnen doen om dit te voorkomen, is die schepnetmethode afschaffen. Dan krijg je echter direct het argument van terrorismedreiging tegengeworpen.”

9. Gaat deze nieuwe wet echt iets veranderen?

Hoewel er officieel al sinds het Goodwin-arrest in 1996 een recht op bronbescherming bestaat in Nederland, is Nederland al die tijd het stoutste jongetje van de Europese klas geweest. Driemaal is het op de vingers getikt en advocaat Volgenant merkt dat de rechten van journalisten nog steeds niet bij iedere opsporingsambtenaar of rechter helder op het netvlies staan.

Hoewel de wet daar op papier verandering in moet brengen, is het afwachten of dat ook in praktijk zo zal zijn. Volgenant:

“Ik heb er ernstige twijfels bij of er in de dagelijkse praktijk niet af en toe toch ongelukken zullen gebeuren.”

Datzelfde geldt voor Telegraaf-journalist Bart Mos.

“Sinds ik gegijzeld werd, ben ik wel wat cynischer geworden ten opzichte van het Openbaar Ministerie. Een week voordat we gegijzeld werden, beloofde de rechter-commissaris dat we op bepaalde punten gebruik konden maken van ons verschoningsrecht.”

Zeven dagen later was dat ineens niet meer zo. Mos:

“Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat die rechter-commissaris in die week onder druk is gezet. Zoiets kan nu natuurlijk weer
gebeuren.’ Hij sluit af: ‘Maar de kans dat zoiets gebeurt, lijkt me wel wat kleiner geworden en dat is een goede zaak.”

Lees ook eerder verschenen artikelen op De Nieuwe Reporter over bronbescherming voor journalisten.

Al 4 reacties — discussieer mee!