In Het Parool werd een Amsterdamse taxichauffeur als volgt gequoot: “Als een vrouw tegen mij aanrijdt, waardoor ik schade heb en ze biedt haar excuses niet aan, dan mag ze op de grond liggen, maar dan schop ik haar gewoon in haar gezicht.” Die pittige uitspraak leidde niet alleen tot veel ophef in Amsterdam, maar vormde ook de aanzet tot belangrijke jurisprudentie over de vraag wie de bewijslast heeft van een citaat: de journalist, of de geïnterviewde?

Op 30 juni 2012 werd een 19-jarige vrouw op haar fiets aangereden door een taxi. De taxi reed door, zonder zich om de vrouw te bekommeren, die ernstig gewond achter bleef.

Begin juli sprak een verslaggever van Het Parool een aantal TCA-chauffeurs bij het Centraal Station en op het Leidseplein hierover. Eén van de chauffeurs die hij bij het Leidseplein sprak was T. Het artikel dat vervolgens in Het Parool verscheen bevatte het volgende citaat van T, die met zijn volledige naam in de krant stond:

“Maar je kunt ervan uitgaan dat het haar eigen schuld was” zegt hij. Hij is het niet eens met de Nederlandse aansprakelijkheidswetgeving over fietsers. “Zelfs als een fiets uit de lucht komt vallen op mijn taxi, dan is het nog mijn schuld. Fietsers voelen zich onaantastbaar en fietsen daardoor door rood, kijken niet om zich heen en rijden tegen je auto aan. Als een vrouw tegen mij aanrijdt, waardoor ik schade heb en ze biedt haar excuses niet aan, dan mag ze op de grond liggen, maar dan schop ik haar gewoon in haar gezicht.”

De chauffeur wordt daarop geschorst. T. ontkent dat het citaat uit zijn mond komt en start een bodemprocedure tegen het Parool.

Wie moet bewijzen?

De rechtbank laat zich in het tussenvonnis van 1 mei 2013 uit over de bewijslast. De rechtbank past de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) toe. De taxichauffeur stelt dat hij onjuist is geciteerd en verbindt daar het rechtsgevolg aan dat Het Parool onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld. Dat betekent dat T. de bewijslast heeft. De eisen van redelijkheid en billijkheid brengen in dit geval volgens de rechter ook geen andere verdeling van die bewijslast mee.

Wel erkent de rechtbank dat T. in een moeilijke bewijspositie zit, omdat hij een negatief bewijs moet leveren (dat hij iets niet gezegd heeft). Daarom bepaalt de rechtbank dat de bewijslast weliswaar bij de geïnterviewde ligt, maar dat er een verzwaarde stelplicht geldt voor Het Parool ten aanzien van haar verweer.

Daarmee wijkt de rechtbank af van haar oordeel van 15 jaar eerder in de zaak van NOC*NSF-voorzitter Huijbregtsen tegen de Volkskrant. In die zaak werd geoordeeld dat de bewijslast van de juistheid van het citaat rustte op de Volkskrant, omdat de krant het artikel niet ter verificatie aan Huibregtsen had voorgelegd en Huibregtsen de juistheid betwistte. De oplossing in de zaak van de taxichauffeur lijkt genuanceerder.

Hoe te bewijzen?

Nadat de rechtbank vaststelt hoe de bewijslastverdeling ligt, is de vervolgvraag of T. het bewijs kan leveren en of Het Parool kan voldoen aan de verzwaarde stelplicht.

T. legt een aantal verklaringen over. Onder meer van een ‘trouwe TCA klant’, X, die verklaarde dat hij net wilde instappen toen de verslaggever T. aansprak. X. verklaart dat T. de bewuste woorden nooit heeft uitgesproken. T. legt ook een verklaring over van een collega-chauffeur, Y., die stelt dat zijn taxi voor die van T stond toen hij werd geïnterviewd. Volgens Y. had T. het aangereden meisje veel sterkte gewenst, en hadden ze het op een positieve manier over het fietsenprobleem gehad.

Het verweer van Het Parool

Het Parool legt een verklaring over van de verslaggever, en zijn aantekeningen. De verslaggever stelt dat hij tegen T. zei dat hij gezien het heftige citaat waarschijnlijk niet met zijn volledige naam in de krant wilde. Jawel hoor, antwoordde T. Daarop herhaalde de verslaggever het citaat ter controle, waarop T. zijn uitspraak nogmaals deed, bevestigde dat hij wel degelijk met zijn naam in de krant wilde, en hij zijn volledige naam uitspelde, aldus de verslaggever. Een lastig te spellen naam, die goed gespeld in de krant verscheen.

De verslaggever stelt dat hij alleen was met T. Er was geen andere chauffeur bij en T had geen passagier. Dat wordt beaamd door een verklaring van een andere chauffeur, Z, die achteraan in de rij stond toen de verslaggever sprak met T. Hij verklaart dat er geen andere mensen bij het gesprek waren.

T. laat op een gegeven moment weten dat passagier X. (de ‘trouwe TCA-klant’) zijn verklaring weer intrekt.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank wijst erop dat het door Het Parool overgelegde notitieblok van de verslaggever de verklaring van de verslaggever lijkt te onderbouwen. Het notitieblok bevat onder meer twee keer het woord ‘schop’. Bij de tweede keer staan de woorden ‘als ik schade heb en geen excuses’. Dat vormt onderbouwing

“voor het standpunt dat [eiser] tijdens het interview de geciteerde woorden of woorden van gelijke strekking heeft uitgesproken.”

Daarmee heeft Het Parool volgens de rechtbank voldoende gemotiveerd weersproken dat zij de chauffeur onjuist heeft geciteerd en heeft Het Parool aan haar verzwaarde stelplicht voldaan.

Taxichauffeur T. wordt in het tussenvonnis van 1 mei 2013 vervolgens toegelaten om nader bewijs te leveren van zijn stelling dat hij onjuist is geciteerd. En daar slaagt de taxichauffeur niet in, mede omdat de verklaringen van T. zelf, en van zijn getuigen met elkaar conflicteren. De rechtbank concludeert dat niet is vast komen te staan dat de citaten in Het Parool onjuist waren en wijst de vorderingen van de taxichauffeur af.

Dit artikel is eerder gepubliceerd op Media Report, het weblog door de advocaten van Kennedy Van der Laan. Het Parool werd in de beschreven zaak bijgestaan door Christien Wildeman van Kennedy Van der Laan.

Lees ook eerder verschenen artikelen over juridische zaken op De Nieuwe Reporter .

Nog geen reactie — begin de discussie!