Oorlogsjournalisten wagen hun leven voor dat ene verhaal. Of dat ene beeld. Voor het geld hoeven ze het niet te doen. Hun beloning is miserabel. Misschien wat naamsbekendheid. Maar is dat de risico’s wel waard, vraagt Rory de Kluijver zich af.

Een paar weken geleden werd de journalist James Foley publiekelijk onthoofd door een strijder van de IS. Een gevangenschap van twee jaar ging eraan vooraf. Het moet een periode zijn geweest waarin onzekerheid en wanhoop de enige constanten waren. De onverbiddelijke strijders van de IS schuwen namelijk geen geweld, met mensonterende praktijken als gevolg. Zijn dood betekende niet alleen een enorm gemis voor de nabestaanden, maar tevens een verlies van een icoon in de wereld van de journalistiek.

Drijfveer

Foley deed in het verleden verslag van de opstand tegen dictator Muammar Kaddafi in Libië, hij produceerde videomateriaal voor AFP en in Newshour was hij veelvuldig te zien. Zijn drijfveer beschreef James Foley na de vrijlating van zijn eerdere gevangenschap in Libië in 2011 als volgt:

“Ik geloof dat de frontlinie-journalistiek belangrijk is. Zonder deze foto’s en video’s kunnen we de wereld niet vertellen hoe ernstig de situatie kan zijn.”

Een romantisch idee waarin ook ik geloof, maar ik ben bang dat de consequenties van het leven van een oorlogsjournalist met vaak genoeg de dood als eindstation, mede wordt veroorzaakt door de onvermurwbare instelling en dominantie van de kranten en persbureaus. In dit artikel van NBC News lees ik dat in Amerika veel grote mediabedrijven overgegaan zijn tot het inschakelen van freelance journalisten voor nieuws uit oorlogsgebieden.

Waar journalisten zouden moeten worden uitbetaald in goud, ontvangen ze een bescheiden beloning en niet zelden een oorlogstrauma. Meestal ontvangen de freelance journalisten niet meer dan $100 per foto, maar moeten bijvoorbeeld wel zelf zorg dragen voor beschermende kleding en een eigen verzekering. De beschuldiging “bedankt opdrachtgever, u heeft weer een journalist vermoord” gaat wellicht een brug te ver, maar u kunt zich de woede van sommige journalisten voorstellen.

Groentjes

U zult wel denken dat het verlies van deze dappere oorlogsjournalist menig groentje uit de school van de journalistiek ervan weerhoudt om ook zíjn of haar leven te wagen in conflictgebieden. Maar niets blijkt minder waar. Van de week nog las ik een verhaal in Vice: Hoe een blank meisje uit Delft tegenover een Syrische jihadstrijder belandde. Het is een interview met Floor van der Meulen (25) over haar documentaire Paradijsbestormers, recentelijk uitgezonden op NPO 3. Ze gaat daarin op zoek naar Nederlandse jihadstrijders in Syrië.

De vraag is waarom zij juist zoekt naar zulke levensbedreigende situaties? Het moet haar afgeraden zijn, op z’n mist door haar ouders die vast ook het nieuws hebben gevolgd. Ik twijfel absoluut niet aan haar capaciteiten als oorlogsjournalist, maar wél aan de middelen die haar opdrachtgever heeft om haar veiligheid te beschermen in zo’n conflictgebied.

Opgevoed in een veilig land, een degelijke opleiding voltooid én dan toch die drang om de gruwelen in de wereld te verslaan. Tóch kan ik haar motieven goed begrijpen. Respect, eer en levenslange roem staan namelijk op haar te wachten in Nederland. Stuk voor stuk factoren waar de meeste frontlinie-journalisten (hoogstwaarschijnlijk ook Foley) door worden gedreven.

Mensenleven

Bij het lezen van Foley’s afscheidsbrief liepen de rillingen over mijn lijf, en de woede over zijn ‘onnodige’ dood valt moeilijk te temperen:

“Dromen over familie en vrienden neemt me mee, en vult mijn hart met geluk. Ik weet dat jullie aan me denken en voor me bidden, en daar ben ik zo dankbaar voor. Ik voel jullie aanwezigheid, vooral als ik bid. Ik bid dat jullie sterk blijven, en blijven geloven. Ik geloof werkelijk dat ik jullie kan aanraken in deze duisternis als ik bid.”

Journalisten wagen hun leven voor dat éne gruwelijke verhaal. Foley was zó dichtbij, hij hoefde het alleen nog maar op papier te zetten. Het zou vast en zeker weergeven “hoe ernstig de situatie in die conflictgebieden kan zijn”, maar een mensenleven is toch veel meer waard dan dat?

Naast de eerder genoemde drijfveren van een oorlogsjournalist, is de zoektocht naar een interessant verhaal vooral ook een middel om naamsbekendheid te genereren in een wereld waarin dat helaas onvermijdelijk is. Want de tijd dat de journalist tevreden kon zijn met de titel ‘van onze oorlogscorrespondent’ of ‘verslaggever ter plaatse’ is voorgoed voorbij.

De anonieme oorlogscorrespondent in een oude krant
De anonieme oorlogscorrespondent in een oude krant

Moordende competitiedrang

Het tijdperk van het individu en de daarop voortbordurende freelance journalistiek heeft gezorgd voor een moordende competitiedrang, waar de journalist als de enige échte grote verliezer uit de bus komt. De overduidelijke overwinnaars staan nog steeds aanwijzingen te geven vanaf de kantlijn: “er schijnt op de Iraakse berg Sinjar ook het één en ander te gebeuren, wist je dat al?”

Voor de frontlinie-journalist blijkt het allemaal geen moer uit te maken. Eén ding weet ik zeker: er is genoeg voer voor de psychologen bij de terugkomst van de journalist die ‘tevreden’ kan zijn met zijn gruwelijke verhaal. Er bestaat zelfs een stichting voor. De War Trauma Foundation werkt samen met de getraumatiseerde journalisten aan het vergroten van hun weerbaarheid, en stellen hen in staat om hun moeilijke en belangrijke werk weer op te pakken.

Wat er is gebeurd met alle andere frontlinie-journalisten? Dat kunt u vast wel raden.

Lees ook eerdere artikelen op DNR over oorlogsjournalistiek.

Nog geen reactie — begin de discussie!