Kees Buijs deed onderzoek naar de werkwijzen van enkele regionale dagbladredacties. Zijn conclusie: de redacties kunnen hun eigen opvattingen over journalistieke kwaliteit niet waarmaken. Gonnie Eggink las zijn proefschrift en adviseert Buijs: ga de boer op met deze onderzoeksresultaten.

Kees Buijs zou met een ingedikte versie van zijn proefschrift over de kwaliteit van het redactieproces in de regionale journalistiek een ‘rondje langs de velden’ moeten maken. Dat is de gedachte die het eerst opkomt na lezing van een van de meest leesbare proefschriften over de kwaliteit van de (regionale) journalistiek van de afgelopen jaren.

Bijna tien jaar is de kwaliteit van de journalistiek het onderwerp geweest waar Buijs (onder meer oud-verslaggever en ombudsman van De Gelderlander) zich mee bezighield. De uitgebreide literatuurstudie mondde eerder uit in een boek (Journalistieke kwaliteit in het crossmediale tijdperk) dat op sommige opleidingen journalistiek wordt voorgeschreven. Die literatuurstudie sloot hij af met een reeks suggesties voor vervolgonderzoek. Buijs nam zelf het onderzoek naar het redactieproces voor z’n rekening.

Maatstaven voor kwaliteit

De vraag die Buijs onderzoekt luidt: Voldoet de regiojournalistiek als collectieve redactionele activiteit aan haar eigen kwaliteitsmaatstaven?

Hoe ging hij te werk? Nadat hij in het theoretisch kader drie perspectieven op kwaliteit uitwerkt (het professiemodel, het marktmodel en het burgermodel) maakt hij onderscheid tussen drie kernactiviteiten die op editieredacties plaatsvinden:

  1. het proces van nieuwsgaring en nieuwsselectie,
  2. de nieuwsproductie en de nieuwsproducten,
  3. de relatie tussen redactie en lezers.

Na een uitgebreide methodische verantwoording, die zich deels laat lezen als een kleine geschiedschrijving van de drie onderzochte edities (Brabants Dagblad; edities Oss en Tilburg en De Gelderlander Arnhem) beschrijft hij in drie hoofdstukken de resultaten van de observaties, de interviews, de vragenlijsten en de inhoudsanalyses.

Feest van  herkenning

De drie uitkomstenhoofdstukken zullen voor verslaggevers op regioredacties, maar zeker ook op andere nieuwsredacties, een ‘feest’ van herkenning zijn: Het redactieoverleg wordt in de regel als weinig inspirerend ervaren en de grootte van de redactie en de stijl van de voorzitter drukken een belangrijk stempel op de bijeenkomsten.

Het beeld dat van deze eerste fase van de productie van een dagblad opdoemt, is dat van een georganiseerde groep professionals die routinematig een aantal activiteiten afhandelt en op de eerste plaats aan de krant van de volgende dag denkt. Dat heeft niet alleen met tijdsdruk te maken die alle verslaggevers sowieso voelen, maar zeker ook met waarden die botsen: een deel van de verslaggevers hecht aan diepgang en reflectie (het professiemodel), terwijl in de praktijk van alledag routine en breedte (het marktmodel) voorop staan.

Digital first

Ook in de productiefase is deze botsing (Buijs spreekt over schurende culturen) merkbaar. De inhoud van de verschillende edities heeft een sterk ‘voor-elk-wat-wils-karakter’. Maar in de productiefase is deze spanning misschien nog sterker voelbaar voor de verslaggevers. Temeer omdat verslaggevers gehouden zijn aan het digital first-uitgangspunt van Wegener. Dit uitgangspunt wordt door de drie onderzochte redacties verschillend ingevuld. Er is namelijk niet alleen onduidelijkheid over de huisregels met betrekking tot publicatie op de site, ook concurrentieoverwegingen dragen er toe bij dat redacties wachten met plaatsing op het internet: een ‘dikke primeur’ wordt voor de krant bewaard.

Daar komt volgens een deel van de verslaggevers bij dat de krant teveel de boodschapper van de plaatselijke autoriteiten is geworden en te weinig de kritische volger van de lokale macht. Bovendien blijkt uit de observaties en gesprekken dat productietaken die voorheen door anderen werden gedaan nu op het bord van de verslaggevers komt te liggen. Multi- en crossmediaal werken en denken is kortom nog geen routine geworden.

Relatie tussen redactie en lezers

Tot slot behandelt Buijs de relatie tussen redactie en lezer. Dit laatste uitkomstenhoofdstuk komt er wat bekaaid af. Maar misschien is dat niet zo’n probleem: zoals vorig jaar immers uit het proefschrift van Harmen Groenhart al duidelijk werd, is de journalist niet zo gecharmeerd van de inbreng van de lezers.

Kenmerken van een lezersoriëntatie als meerstemmigheid in de berichtgeving, betrokkenheid en representatie van gewone mensen en hun leefomgeving zijn sporadisch terug te vinden in het redactioneel proces.

Vijf dilemma’s

In het slothoofdstuk formuleert Buijs het antwoord op de onderzoeksvraag. Het korte antwoord luidt: Er gaapt een kloof tussen ambities en maatstaven en de alledaagse werkelijkheid op de redactie.

Voor het langere antwoord gebruikt Buijs de metafoor van de spagaat. Hij signaleert vijf dilemma’s:

  1. Het redactie-overleg blijft beperkt tot aanpak en verdeling van taken; echte tegenspraak ontbreekt.
  2. Breed informeren wint het van verdieping en onderzoek.
  3. Produceren voor de gedrukte krant wint het van crossmediale productie.
  4. Het onderhouden van het netwerk en het kritisch volgen van de macht staan op gespannen voet met elkaar.
  5. De lezer blijft een ondergeschikte rol spelen.

Gebrek aan reflectie op redacties

De toch wat treurig stemmende conclusie is dat bijna vijftien jaar na het verschijnen van het proefschrift van Liesbeth Hermans over het beroepsmatig handelen van journalisten (op de redactie van het NOS-journaal) er bar weinig veranderd is. Het onderzoek van Buijs is vergelijkbaar met dat van Hermans. Ook zij rapporteerde over het ontbreken van echte reflectie op de redactie. Terwijl volgens Buijs het redactiecollectief het centrum van expertise, kwaliteitsbewaking en reflectie moet zijn.

Vandaar de suggestie dat Buijs met zijn verhaal de boer op moet. Want het nadeel van veel proefschriften is dat de inhoud slechts in kleine kring bekendheid krijgt. Dat terwijl de observaties van Buijs voldoende stof tot discussie bieden. Discussies die niet alleen op regioredacties, maar ook op redacties van andere journalistieke media en op opleidingen Journalistiek gevoerd moeten worden. Waarbij het de kunst zal zijn om de uitkomsten van deze discussies ook om te zetten in daden. Want tegenspraak is goed, maar woorden omzetten in daden nog beter.

De eerste aanzetten tot discussie worden komende maand overigens al gegeven. Op diverse plaatsen in het land is er aandacht voor de (kwaliteit van de) regiojournalistiek:

Kees Buijs (2014). Regiojournalistiek in spagaat: De kwaliteit van het redactieproces in de regionale journalistiek; een case-studie. Den Haag: Boom Lemma. 288 pagina’s. ISBN 9462364842.

Al 4 reacties — discussieer mee!