De Nederlandse documentaire is te braaf, schreef Dana Linssen vorig jaar. Filmmaker Marc Schmidt stelde dat er een taboe heerst op mislukking. Hoe moet het experiment bevorderd worden? Tien jonge makers beschrijven in deze serie hun visie – op film, op documentaire, op zichzelf en hun manier van werken. En op de vrijheid die daarvoor nodig is. In deel 7 Willem Baptist, die meer waardering heeft voor een spectaculair mislukt statement dan voor goed gemaakte degelijkheid. 

Op 9 mei organiseerde het Mediafonds een conferentie over (het gebrek aan) experiment in documentaire. Is de Nederlandse documentaire te braaf geworden? ls er voldoende ruimte voor autonomie en experiment? Zijn we niet te veel naar binnen gericht, kijken we voldoende naar de ontwikkelingen in het buitenland?

[Lees op DNR een verslag van dat debat: Medicijnen tegen chronische braafheid in documentaires]

Zelf wierp ik de vraag op die ik regelmatig op buitenlandse festivals krijg voorgeschoteld:

‘Wat is er toch aan de hand in Nederland, vroeger maakten jullie zoveel gewaagde films?’

Die vraag had voor mij extra betekenis, toen ik in Nyon de fascinerende bizarre korte documentaire IR Planet (2014) zag, waarin de maker een aantal gevangen krabben los laat in zijn hotelkamer. We mogen ze vervolgens gedurende de hele film in infraroodbeeld observeren.

Een soortgelijke ervaring had ik ook bij het zien van de bekroonde documentaire Leviathan (2012) op IDFA, waar ons zonder enige voice-over met tientallen kleine Go-Pro camera’s van akelig dichtbij de visvangst op zee wordt getoond.

Recentelijk draaide het visueel indrukwekkende, non-verbale en op 70mm gedraaide Samsara (2012) nog in EYE.

Zouden dit soort documentaires met participatie van een omroep in Nederland gemaakt kunnen worden?

Fondsen binnenhalen

Een van de aanwezige eindredacteuren in de zaal gaf tijdens de conferentie aan dat de instroom aan gedurfde plannen nogal te wensen overliet en beaamde dat makers een verantwoordelijkheid hebben.

Een script-editor bekende dat het haar taak was magere filmplannen op te poetsen naar een niveau waarmee een fondstoekenning zo goed als gegarandeerd zou zijn. Ze pleitte ervoor dat haar baan overbodig zou worden gemaakt.

In de wandelgangen opperde een van de aanwezige producenten:

‘De truc van het geld aanvragen hebben we onder de knie, nu nog goede films maken.’

Voor degenen die iets hoopten op te steken over het huidige documentaireklimaat in Nederland was het een contrastrijke dag, waar echter ook hoop en betrokkenheid doorklonken.

Verrast en geprikkeld worden

Het zijn de onderscheidende artistieke signatuur en de wil om een persoonlijke statement te maken die ik mis in de Nederlandse documentaire. Ik wil als maker en kijker verrast en geprikkeld worden door de zienswijze en de stijl van de auteur – het is in de documentairefilm niet anders dan bij een goede roman of speelfilm.

Soms wil je gewoon dat een kijkervaring de wereld op zijn kop zet, zoals we letterlijk kunnen zien in ¡ViVan las Antipodas! (2011).

Liever vaker een spectaculair mislukt statement, waar de vonken van af springen, dan goed gemaakte degelijkheid. De Chileense cineast Alejandro Jodorowsky stelde ooit:

‘Most directors make films with their eyes; I make films with my testicles.’

Kijk, daar kun je tenminste iets van vinden.

Auteurschap cultiveren

Naar mijn gevoel ligt het probleem diep.

Natuurlijk hebben degelijk gemaakte films bestaansrecht binnen het Nederlandse documentairelandschap. Maar zouden we niet het auteurschap onder makers moeten cultiveren en artistieke durf, eigenheid en succes daarin meer moeten waarderen? Is er überhaupt voldoende oog voor artistiek succes in Nederland?

Als je een succesvolle korte documentaire hebt gemaakt kijkt in het internationale circuit niemand raar op als je daarna een lange film voor ogen hebt. In Nederland lijkt soms een andere maatstaf te worden gehanteerd.

Zo lijkt een maker met, laten we zeggen, drie internationaal bekroonde korte documentaires minder mogelijkheden te hebben dan een maker met twee of drie langere films die ons land amper weten te ontstijgen. En als de financiële druk hoog is voor makers dan staat meer productiviteit met minder risico’s vaak boven het aangaan van experiment.

Verbeelding en fantasie

Als ik zelf aan een nieuw project begin spelen verbeelding en fantasie een centrale rol. Hoe je iets vertelt vind ik het zo belangrijk als waarover je iets vertelt. Een roman lees je toch ook niet hoofdzakelijk omwille van het onderwerp?

Met de jeugddocumentaire Ik ben echt niet bang! (2010, VPRO) wilde ik een bescheiden epos maken over een jongetje dat de dood probeert te bezweren – old school gedraaid op 18 rollen 16mm, met droomsequenties, het doorbreken van de vierde wand en geïnspireerd door westernklassiekers. Ondanks de aanvankelijke huiveringen van producent en omroep (‘Waarom zou je anno nu op zo’n oud medium willen draaien? ls dat niet erg risicovol?’) ging iedereen akkoord – met het compromis dat een cinemascope beeldverhouding voor een televisiedocumentaire geen optie was.

Met Wild Zwijn (2013, NTR), maakte ik zonder echte hoofdpersonages mijn gestileerde Twin Peaks op de Veluwe, met zeer bescheiden technische middelen. Ik stel dat budgettaire beperkingen er steevast voor zorgen dat ik, tot nu toe, de uitvoering van mijn artistieke visie vaak moet inperken. Ik ben dan ook dikwijls stiekem een beetje jaloers als ik dramaregisseurs zie uitpakken.

Hoezo te pretentievol?

Het realiseren van mijn films gaat overigens niet zonder worstelingen. veelgehoorde en goedbedoelde kritiek op mijn filmplannen is dat ze te pretentievol zouden zijn, te ambitieus.

Ik denk dan aan Werner Herzog die een schip over een berg sleepte voor zijn film Fitzcarraldo (1982).

https://www.youtube.com/watch?v=F53yUsgVuL0

Of aan de vraag die hij durfde te stellen ‘Is there such thing as insanity among penguins?’ in Encounters at the End Of the World (2007).

https://www.youtube.com/watch?v=LexPHfCFcRo

Wie zijn films wil maken, inclusief gênante gedachtekronkels, dient over voldoende opportunisme, ego en overmoed te beschikken.

  • Opportunisme omdat het vertrouwen in je wordt gesteld dat je een film kan maken en dat dus ook vrijheid oplevert.
  • Ego omdat je als maker de enige bent die in staat is het beoogde verhaal op eigen unieke wijze te vertellen, hierin schuilt dan ook de meerwaarde van een auteursdocumentaire.
  • Overmoed, omdat zonder het brandende verlangen om jezelf uit te dagen en risico’s aan te gaan, inclusief de angst om te falen, je per definitie afstevent op braafheid.

Lees ook andere afleveringen van deze serie over jonge filmmakers.


Dit artikel is afkomstig uit 609, het blad van het Mediafonds.

Wie alle artikelen van de nieuwste editie van het blad wil lezen: een pdf van 609 is te vinden op de website van het Mediafonds.nl.

Nog geen reactie — begin de discussie!