De Nederlandse documentaire is te braaf, schreef Dana Linssen vorig jaar. Filmmaker Marc Schmidt stelde dat er een taboe heerst op mislukking. Hoe moet het experiment bevorderd worden? Tien jonge makers beschrijven in deze serie hun visie – op film, op documentaire, op zichzelf en hun manier van werken. En op de vrijheid die daarvoor nodig is. In deel 9 roept Thomas Vroege de NPO op om een slot in te ruimen voor documentaires met een vrije lengte, maximale vrijheid voor de maker en waarvoor kijkcijfers niet tellen.

ln het Stedelijk Museum Amsterdam zag ik de film 5000 Feet is the Best van de kunstenaar en filmmaker Omer Fast. De film is gebaseerd op een interview met een Amerikaanse piloot van een drone, een onbemand verkennings- en aanvalsvliegtuig, uitgerust met raketten.

De man is zwaar getraumatiseerd door zijn werk in Afghanistan. Hij gaat akkoord met Fasts verzoek tot een interview, op voorwaarde dat hij slechts de technische aspecten van zijn werk zal bespreken. Dit interview vormt de basis van een film waarin fictie en werkelijkheid op een krankzinnige manier door elkaar lopen.

Spelen met conventies

Fast vertaalt de traumatische ervaring van de drone operator naar een filmisch bewustzijn. De film is een loop en wordt als zodanig vertoond; begin en einde zijn in de getraumatiseerde werkelijkheid van de dronepiloot irrelevant. Fast speelt met de conventies van genres en beeldtalen. Een geblurred interview met de drone operator, ogenschijnlijk ‘documentaire’, wordt afgewisseld met een ‘fictieve’ scene van de drone operator liggend op een bed in een hotel in Las vegas. Beide operators vertellen over hun ervaringen, maar wie en wat ‘echt’ is wordt steeds ondoorzichtiger.

“5000 feet is the best. At 5000 feet I can tell you what kind of shoes you’re wearing. l can tell what type of clothes the person’s wearing, the hair color and everything else. So there are very clear cameras on board.”

De drone operator bestuurt zijn drone vanuit een klein kamertje in Nevada, constant gemonitord door het Pentagon. Hij klaagt over de saaiheid van zijn baan:

“It’s like playing a single game every day but always sticking on the same level.”

Wat is echt?

Het is even banaal als verontrustend. Kijkend in het Stedelijk besef ik hoe zorgvuldig Omer Fast zijn beeld- en geluidstaal tot inzet van de film maakt. Fast laat je kijken naar een film die geloofwaardig documentair is, dan weer fictief en je dan weer het gevoel geeft een computerspel te zijn. Stemmen en werelden lopen door elkaar heen. Langzaam raak je de grip op wat ‘echt’ is kwijt.

Dat is precies de bedoeling: Fast stelt de fundamentele vraag aan de toeschouwer of hij gelooft wat hij hoort en ziet. In een wereld waarin hoogopgeleide militairen, werkzaam in oorlogsgebied, de werkelijkheid verwarren met een computerspel, vraagt Omer Fast ons na te denken over hoe wij zelf kijken.

Het bevragen van het eigen medium is veel meer eigen aan de beeldende kunst dan aan de documentaire film. Spelen met ‘echt’ en ‘nep’ is binnen de documentaire een gevoelig issue. Een documentaire die niet transparant is in zijn vorm schept een verkeerd soort verwarring.

Vorig jaar zag ik de documentaire Bloot van Paul Cohen en Martijn van Halen, over de acteurs van Toneelgroep Amsterdam. Filmlampen worden aangezet terwijl de camera al loopt; acteurs spreken hun wantrouwen uit ten opzichte van de documentaire. Hoewel veel media overwegend positief waren, reageerden veel van mijn vrienden en kennissen lafjes, net als de Volkskrant: ‘Artistiekerig en moeilijk te duiden.’ Wat kwamen we nou te weten over Toneelgroep Amsterdam en acteren?

Gewaagd auteurschap

Barbara Truyen van de VPRO stelde onlangs dat er weinig makers met ‘gewaagd auteurschap’ zijn te vinden. Dat zou de reden zijn voor het gebrek aan gewaagde documentaires op televisie. De vraag is echter of de omroepen genoeg verantwoordelijkheid nemen bij het scheppen van een klimaat waarin dergelijk makerschap komt bovendrijven. Het meenemen van de toeschouwer in een eigen universum, waarbij de wetten van het medium worden onderzocht is voor mij als filmmaker het hoogst haalbare.

lk bewonder Omer Fast, maar ook Paul Cohen en Martijn van Halen in hun poging de kijker op een dergelijke manier te ontregelen. Daar is niets ‘artistiekerigs’ aan. ‘Moeilijk te duiden’ is wat mij betreft een pré. Ik zie iets te veel hapklare documentaires op televisie. Die zijn vaak wel erg makkelijk te duiden. Filmmakers hebben een verantwoordelijkheid kijkers te confronteren met hun gemakzuchtige consumptieve houding. Juist daarom moeten we naar nieuwe vormen zoeken, die ontregelen en het eigen medium bevragen. Dat mag niet voorbehouden zijn aan de beeldende kunst.

Lefregeling

Als jonge maker hoop ik van harte dat Barbara Truyen en al die andere eindredacteuren van omroepen dat ook vinden. Ze zouden hún verantwoordelijkheid kunnen nemen door net als het Filmfonds en het Mediafonds een ‘lefregeling’ op te zetten, een slot kunnen inruimen met een vrije lengte, maximale vrijheid voor de maker en kijkcijfers ‘niet relevant’.

Verder kan het geen kwaad dat wij, makers, ons iets aantrekken van de opmerking van Barbara Truyen over het gebrek aan eigenzinnige auteurs. Marc Schmidt verbaasde zich eerder over ‘gerenommeerde filmproducenten’ die nog nooit van de Dokumenta in Kassel hadden gehoord, of van het ‘waanzinnige (documentaire!) werk van Gillian Wearing’. lk vraag me af wie het waanZinnige (documentaire!) werk van Omer Fast kent. Graag primetime programmeren in dat nieuwe vrije slot.

Lees ook andere afleveringen van deze serie over jonge filmmakers.

Dit artikel is afkomstig uit 609, het blad van het Mediafonds.

Wie alle artikelen van de nieuwste editie van het blad wil lezen: een pdf van 609 is te vinden op de website van het Mediafonds.nl.

Nog geen reactie — begin de discussie!