De Nederlandse documentaire is te braaf, schreef Dana Linssen vorig jaar. Filmmaker Marc Schmidt stelde dat er een taboe heerst op mislukking. Hoe moet het experiment bevorderd worden? Tien jonge makers beschrijven in deze serie hun visie – op film, op documentaire, op zichzelf en hun manier van werken. En op de vrijheid die daarvoor nodig is. In deel 8 Judith de Leeuw over geworstel met de werkelijkheid en een glijbaan.

Over de bouwput en de speeltuin. De artist-impression en het huis.
Over de film en de poging. Het hoe voor het wat.

Het zit ergens in je hoofd.
Het lijkt niet echt ergens op maar misschien een beetje op een speeltuin.

Oké, een speeltuin. Deze? Nee, die niet. Dat weet je zeker: dat je geen wipkippen bedoelt en geen speeltoestellen van aluminium om alle luchten grijs te spiegelen. Maar precies dan zie je:

toen het 50 graden was, met een brandende zon om 12 uur ’s middags, waren in de aluminium glijbaan -van wat glijbaan neet de baan (of glij misschien, dat in ieder geval, want de rest, dat is van hout gemaakt en dat wat van hout is gemaakt, dat bedoel ik dus niet, dus: in de glij-baan) – door hangjongeren namen gekrast en liefdes voorspeld of gebroken.
Van:
Merel zuigt
klote
Nico loves Latoya
Reginald was here

Is de zon uit de glijbaan verdwenen.
De glijbaan is dof geworden. Dus: hij spiegelt niet meer.

En daarom glijdt het zwetende kinderlichaam over het donkere vlak en maakt de zon midden op de dag van hem een druppel, glinsterend met bange ogen, want de grond onder het einde van de glijbaan is weggesleten, door de uitgegleden kinderen meegenomen, door hun kinderbillen naar huizen, naar bankstellen, tussen zittingen en leuningen verdwenen.

En nu is er onder de glijbaan een gat. En daar vallen de kinderen in. De bange kinderogen vallen samen met de billen, ze vallen – boem! – terwijl de ruggen zich schaven aan het doffe aluminium van Lara fucks Raymond.

Die speeltuin, bij het fietsenhok. Waar ze fucken bij het fietsenhok. fuck fuck in het fietsenhok…

Stop!

Daarna denk je dan: nee, het klopt niet! Weg met die scène. Zo’n speeltuin dus niet.

Geen gebroken armpjes en schommels van splinterhout om tegen klevende monden te slaan. Een speeltuin als leeg, ruimte, geen zon, überhaupt geen weer eigenlijk, geen snotvingers, of tanden door een kleine lip. Gewoon: een veldje.

Dat bedoel je.

Een aanstaande bouwput. Een weilandje met gras.

De vanzelfsprekendheid van een veldje.

En verder helemaal niets.

En daarna richt je de camera toch op het weer.
En op de hond zonder hoofd.

Je hebt een scène. Je ziet:

Twee mensen.
Ze kijken elkaar aan in een kamer met grijze stoelen en een plastic kozijn.
Ooit bestonden de oplossingen nog, maar voor leven hebben ze allebei al eens gekozen.
Nu zitten ze met beide handen in de schoot en is alles luxaflex, een gerimpelde nazomerzon.
Ergens staat een plant, zoemt een tl-buis, staat op een tafel een kopje.

De man zegt: ze hebben beloftes gezaaid maar uiteindelijk beton in de gang gestort.

Je weet het niet meer. Was dit het? Zei hij dat echt?

Je zit met mensen (een crew?) op een leeg heet terras met plastic palmen en sinaasappelijs met wodka. Samen bouw je een toren van mogelijke woorden en uiteindelijk stort die ook in elkaar.

Maar dat geeft dan niet meer want:

lammetjes en bleke tenen
roze vissen en de architecturale hoogstandjes van bordkarton

appels kopen en een kind in de rij dat haar hoofd van ongeduld op de kraam legt
de man die het hoofd pakt in plaats van de appel

Je hebt toch eens een scene gedraaid? Het was iets met een vrouw. Ze zei:

mag ik in dat architecturale hoogstandje van jouw bewegingen wonen
en dat jij dan bij mij intrekt
met feestslingers en limonade; oranje aardbeienranja met een appelrietje
dansen in dakpannen rokjes en dan meezinken met het licht dat over ons struikelt wil je wil je wil je
het is karaoke met bananenmicrofoons en dat maken we dan tot hobby
polonaise mayonaise en zelfs mensen uit Brabant vinden we aardig.

En dan denk je: Nee!

Maar je zit ermee. Weg ermee.

Je denkt: het moet doorzichtig zijn. Plexiglas.
Een schimmenspel.

En ook: een film moet niet over het onderwerp gaan. Je pakt de werkelijkheid op en schudt hem door elkaar. Je keert hem om en van wat overblijft monteer je iets.

Dan neem je afstand en kijkt wat het is.

O, maar als dat het is, hoort dit erbij! Een scène die je al lang had weggegooid, die je met een veel te slechte camera eens in de research hebt gedraaid. Niet de vrouw, maar haar moeder toen ze een boom in klom en zei:

Ze denken dat ze god zijn aan het einde van de wereld.

Die pipo’s zijn het allemaal knikkend en handenschuddend met elkaar eens.

Maar toen je vader zijn auto aan het einde van de horizon had geparkeerd was-ie binnen zes weken dood. Onthoud dat als je trouwt met zon hondenkop.

Je loopt terug naar de speeltuin. Je vraagt oké?
En iedereen gaat mee.

Je filmt de glijbaan. (Van wat glijbaan heet de baan.)

Een kind dat ondersteboven hangt.

De appel in de bek van de hond.

Je hebt een verhaal. Een scene die klopt.

Lees ook andere afleveringen van deze serie over jonge filmmakers.


Dit artikel is afkomstig uit 609, het blad van het Mediafonds.

Wie alle artikelen van de nieuwste editie van het blad wil lezen: een pdf van 609 is te vinden op de website van het Mediafonds.nl.

Nog geen reactie — begin de discussie!