Trouw-journalist Perdiep Ramesar kon jarenlang zijn gang gaan met het verzinnen van bronnen en quotes. De affaire-Ramesar zegt volgens Hans Laroes, voorzitter van de Raad voor de Journalistiek, niet alleen iets over Trouw, de krant die zijn verhalen publiceerde, maar over de hele beroepsgroep.

Ieder vak kent zijn bedriegers. Dus ook de journalistiek.

Perdiep Ramesar is de naam van de meest recente. En wat hij heeft aangericht is niet om vrolijk van te worden.

Niet bestaande mensen

Hij heeft jarenlang de pagina’s van Trouw kunnen gebruiken voor verhalen die o zo spannend en relevant leken, maar -uiteindelijk – nergens op gebaseerd waren.

Mensen die in de verhalen voorkwamen en opvallende quotes leverden, bestaan niet. Hun verhalen, hun geschiedenis, hun uitlatingen zijn naar alle waarschijnlijkheid compleet verzonnen.

Trouw heeft 126 verhalen teruggetrokken en uit de archieven gehaald; wellicht zijn er nog meer besmet, je weet maar nooit.

Een affaire als deze raakt niet alleen Ramesar, die zich ongetwijfeld nu leproos voelt, en niet alleen Trouw, de krant waar de alarmbellen in de kelder bleken te hangen en niet werden gehoord. Een affaire als deze raakt de hele beroepsgroep en heeft ongetwijfeld effecten op de wijze waarop de mensen voor wie wij werken naar journalistieke producten kijken. Vertrouwen erodeert niet langzaamaan, maar kan snel opeens in elkaar storten.

Twijfels over Ramesar

De affaire-Ramesar openbaarde zich begin november 2014. De twijfel die bij sommige collega’s knaagde was nu door de dijken rondom de hoofdredactie gebroken; collega’s hadden uiteindelijk, na een lange periode van twijfel, een aantal verhalen gecheckt en konden daarin opgevoerde personen simpelweg niet vinden. Ramesar had geen verweer en werd op staande voet ontslagen.

De hoofdredactie van Trouw stelde een commissie in die alle aspecten van deze zaak moest onderzoeken, maar zei niet om welke journalist het hier ging. Ik had dat in dit geval wel gedaan (wat de ongetwijfeld inmiddels uitgerukte advocaten van Trouw en Ramesar ook adviseerden). Vertrouwen van de lezers gaat boven alles, en lezers zouden niet een paar weken lang in twijfel gelaten moeten worden over de juistheid van álle Trouw-artikelen, bij gebrek aan specifieke kennis over de ‘verdachte’ verhalen.

Het rapport van de onderzoekers, rechter Egbert Myjer en hoogleraar journalistiek Jeroen Smit, is van een grote helderheid. Nauwgezet wordt een aantal verhalen gefileerd, en wordt beschreven wat er allemaal fout kon gaan. Het rapport is nuchter en spannend en beschrijft impliciet hoe het op veel plekken in de journalistiek werkt, en niet alleen bij Trouw. Dat is althans mijn observatie.

Ramesar wilde, ongetwijfeld op advies van zijn advocaat, niet met de commissie spreken en geen antwoorden geven. Dat vind ik laf en verwijtbaar, vooral tegenover al die lezers van zijn verhalen die hem hebben gevolgd en –vaak- geloofd.

(Egbert Myjer overigens is vicevoorzitter van de Raad voor de Journalistiek, maar formeel en feitelijk staat de Raad buiten dit onderzoek).

De cultuur op de redactie

Wat opvalt is hoe lang Ramesar door kon gaan en hoe zijn verhalen ongefilterd de krant in konden komen. Er was bij een enkeling scepsis en wantrouwen, maar die drong niet echt door op de redactievloer en bij de hogere echelons, waar de krant wordt gemaakt.

Essentieel zijn de passages in het rapport van Myjer en Smit over de cultuur op de redactie. Die komt in mijn ogen naar voren als vrijblijvend, weinig kritisch, weinig professioneel in de zin van dat men elkaar hard en helder de maat neemt. Eerder leek er sprake van een non-interventiebeginsel: als jij niet over mij begint, dat zeg ik niets over jou.

Sommigen vonden het vreemd dat Ramesar met ieder verhaal dat-ie wilde of moest maken terug kwam en geen mislukkingen kende. Dat is raar: soms is er geen verhaal, soms willen mensen niet praten, soms krijg je de hoofdrolspelers niet te pakken –behalve als Ramesar op pad ging. Ik vermoed dat Ramesar ook (bij eindredactie, chefs) een soort sterren-status had opgebouwd: weliswaar ongrijpbaar in z’n eentje opererend, maar toch de verhalen leverend die lekker ‘scoorden’ (niet voor niets wordt er vaak half grijnzend, half serieus gezegd: ‘Never check a good story’).

Gebrek aan zelfreflectie

Journalisten, (misschien beter: ‘de’ journalistiek), zijn niet sterk in kritiek en zelfreflectie. Het is een vak van ego’s, per definitie lichtgeraakt. Opmerkingen van buiten en kritiek van binnen, daar wordt niet gemakkelijk mee omgegaan. Te vaak zijn redactiebijeenkomsten plekken waar collega’s elkaar feliciteren (‘die had je effe goed te pakken’), of waar eerder stilte heerst als er wat gezegd moet worden.

Zo ging het bij Trouw, maar zo gaat het op heel wat andere redacties. (Natuurlijk zeggen nu sommige journalisten ‘bij ons niet hoor’ en dat zal best, maar toch blijf ik bij mijn stelling: de journalistiek staat te weinig open voor kritiek en is in zijn interne discussies – als daar al ruimte voor is- onvoldoende professioneel.

Dat is een van de redenen waarom de affaire-Ramesar niet alleen over Trouw gaat.

Berichtgeving over de multiculturele samenleving

Ongetwijfeld speelt een rol dat Ramesar verhalen leverde die pasten bij de dominante agenda van Nederland: kritiek op de multiculturele samenleving, de angst voor de islam, die Marokkanen die maar niet willen deugen. ‘De’ journalistiek had naar eigen zeggen (en ik vond en vind dat ook) de onderstroom gemist die Fortuyn onverwacht groot maakte – en dat mocht niet nog eens gebeuren. Die ‘linkse’ journalistiek ging langdurig los op ‘rechtse’ thema’s, en Ramesars verhalen ondersteunden ongetwijfeld het idee dat ‘we er boven op zitten’. Ik maak me sterk dat chefs of eindredacteuren verhalen met een bepaalde invalshoek ‘bestelden’.

Het verhaal over de Shariadriehoek in de Schilderswijk (waarin kennelijk alle Nederlandse normen, waarden en wetten in een zwart extreem-islamitisch gat verdwenen) was in zekere zin Ramesars ‘meesterproef’. Hij beschreef wat veel anderen vermoedden.

Niet iedereen volgde dit thema, heel veel ontkenden dat er iets als dit aan de hand was, maar Wilders trok een minuut of 15 de bedreigde wijk in, en ook Lodewijk Asscher liet zich dapper zien, beiden gevolgd door de gebruikelijke mediacohorte, waarmee het verhaal van Trouw werd vastgehouden.

Ramesars stukken, het was de journalistieke variant op ‘zeggen wat er gezegd moest worden’. Ik durf te wedden dat andere redacties hebben overwogen Ramesar bij Trouw weg te kopen.

Het hier en daar gehoorde argument dat Ramesar, hindoestaans van oorsprong en met een kleurtje, om die reden milder werd behandeld dan anderen, lijkt me hier niet juist en niet relevant (en dat staat los van het feit dat de meeste redacties nog steeds niet divers en meerdimensioneel genoeg zijn). Het zou overigens ook heel erg zijn als het wel waar was, want totaal onverdedigbaar.

Solistische journalistiek

Verbazend dus is hoe lang Ramesar in zijn eentje kon opereren. Hij schreef grote aantallen voor Trouw beeldbepalende stukken, alleen. Juist dit soort verhalen, dit soort langdurige projecten, kunnen in essentie niet aan een enkele journalist worden overgelaten. Tegenspraak moet georganiseerd, duo’s of teams moeten elkaar opjutten en in de gaten houden, strategieën uitzetten, bronnen wegen, tunnelvisie voorkomen. Een grommende chef of eindredacteur moet al zijn of haar cynisme op die spannende verhalen die worden voorgelegd loslaten, met maar één doel: ze zo hard als roestvrij staal maken.

Journalistiek is óók vertrouwen, natuurlijk: niet iedere bron is altijd bij een hoofdredacteur of chef bekend. Ervaren verslaggevers verdienen krediet omdat ze dat zelf in de loop der jaren hebben opgebouwd en waargemaakt, er is geen bronnen-politie op de redactie. Maar er is een aantal opvallende verhalen of projecten waarbij wel degelijk meer interne check kan worden ingebouwd. Juist de verhalen die –in dit geval Trouw- mede definiëren zouden niet in de handen van een enkele verslaggever mogen blijven, een verslaggever die bovendien zowat ongrijpbaar was voor de redactie, in een klimaat waarin niet stevig werd gediscussieerd.

Het is misschien te romantisch te verwijzen naar Ben Bradlee en Woodward en Bernstein van wie de verhalen uiteindelijk tot de val van president Nixon leidde, maar daar was een hoofdredacteur die volledig zijn verantwoordelijkheid nam door soms niet eens 2, maar 3 bronnen te eisen, en zijn drive om zijn verslaggevers geschiedenis te laten schrijven combineerde met de overtuiging dat dit alleen kon als er foutloos werd geopereerd, extra noodzakelijk door het gebruik van anonieme bronnen.

Kwaliteit en betrouwbaarheid zijn dus te organiseren.

De rol van de hoofdredacteur

Fascinerend is de rol van de toenmalige hoofdredacteur van Trouw die, net als zoveel collega’s met hem, een rol vervulde die hem meer manager maakte dan journalist. Hij had nauwelijks tijd voor de krant – althans voor de inhoud, blijkt uit het rapport van Myjer en Smit.

Het lijkt mij voor een hoofdredacteur een opvallende keuze. En nogmaals, hij is niet de enige. De hoofdredacteur is de ultiem journalistiek-verantwoordelijke: dat kan je niet wégdelegeren aan chefs of adjuncten. Sterker: je moet het willen waarmaken. Ik probeer niet naïef te zijn: de uitgever eist aandacht, de krant heeft het niet gemakkelijk en vecht voor z’n overleven, maar de hoofdredacteur dient te denken in verhalen, drukinkt en websites, niet in excelsheets. Juist de opvallende verhalen vereisen hoofdredactionele toets.

Dat de toenmalige hoofdredacteur zijn lezers onjuist informeerde is een doodzonde. De bronnen van het verhaal over de Jihaddriehoek zouden op de redactie bekend zijn, schreef hij als antwoord op kritiek en cynisme. Dat was onwaar en daar valt niets moois over te zeggen.

Anonieme bronnen

Redacties hebben over het algemeen afspraken over het omgaan met vertrouwelijke bronnen. Dat is heel verstandig, want vertrouwelijke bronnen zijn essentieel om ongemakkelijke verhalen boven water te krijgen.

De dagelijkse gang van zaken is echter vaak anders: wie een weekje kranten leest komt veel anonieme bronnen tegen, en vaak is in het geheel niet duidelijk waarom de bron geheim moet blijven. Nog niet zo lang geleden publiceerde NRC een verhaal vol anonieme opmerkingen van PvdA-Kamerleden over twee zojuist uit de fractie gezette Nederlands-Turkse leden. Daar was geen goed excuus voor, behalve haast, en ongetwijfeld de behoefte aan stevige quotes.

Over het algemeen is de Nederlandse journalistiek ook tamelijk slordig. Quotes kloppen te vaak niet, feiten zijn niet altijd gecheckt, en niet altijd feiten. Sommige media-organisaties (vooral angelsaksische) hebben aparte redacties die de feiten in stukken van hun collega’s checken. Sommige bellen geïnterviewden terug om de geselecteerde quotes voor te leggen.

Dat komt vast mede door de schadeclaimcultuur die daar bestaat, maar het levert wel betere verhalen op.

Mediakritiek

Mediakritiek is in Nederland ook niet sterk ontwikkeld. Het is wel meer dan vroeger gebruikelijk om bepaalde stellingen te toetsen op (on)waarheid, of om te ontrafelen hoe een bepaald gerucht een verhaal werd, maar meer fundamentele kritiek en het echt fileren van verhalen van anderen gebeurt zelden. Ook de (universitaire) opleidingen en monitors helpen niet echt.

Er zijn, kenmerkend voor Nederland, wel veel opvattingen en iedereen acht zichzelf een columnist, maar echt onderzoek, daar wordt niet veel aan gedaan.

Lessen voor de journalistiek

De affaire-Ramesar begint dus bij Trouw, maar gaat niet over Trouw alleen. Hij stelt vragen over het omgaan met anonieme bronnen. Over de manier waarop redacties zich organiseren bij het maken en checken van beeldbepalende verhalen. Over de vraag hoe professioneel er met kritiek wordt omgegaan en hoe de professie naar zichzelf wil kijken. Over de rol van de hoofdredacteur (en chefs). Over zorgvuldigheid. Over het vermogen je af te vragen of al die mooie uitspraken en al die mooie persoonlijke verhalen wel waar kunnen zijn. Over de bereidheid spannende verhalen inde prullenbak te gooien omdat ze niet deugen.

Het zijn belangrijke vragen. Het enige wat journalisten immers hebben, wat de journalistiek heeft aan kapitaal, is vertrouwen. Het vertrouwen van lezers, kijkers en luisteraars dat de verhalen kloppen. En dat een journalist maar één ambitie heeft: de controleerbare werkelijkheid te beschrijven.

PS De affaire-Ramesar kan in enige vorm ook bij de Raad voor de Journalistiek komen. De leden die een klacht beoordelen kunnen anders besluiten dan ik hier beschrijf; ze zijn volledig onafhankelijk. Dat zien we dan weer wel; deze zaak is belangrijk genoeg om over na te denken en over te schrijven. Voor de goede orde: ik neem als voorzitter niet deel aan de zittingen en het formuleren van de uitspraken.

Dit artikel verscheen eerder op de website van de Raad voor de Journalistiek.

Al 3 reacties — discussieer mee!