De regiojournalistiek moet zich dringend heruitvinden. Dat was de boodschap van Kees Buijs afgelopen vrijdag (28 november) tijdens het KIM-symposium ‘De heruitvinding van de regiojournalistiek’. Buijs promoveerde onlangs op onderzoek naar het functioneren van enkele regioredacties van Wegenerkranten. Op het symposium deed hij ook enkele suggesties voor regioredacties om het anders te doen. Hieronder de tekst van zijn inleiding op het symposium.

Hoe is het om twee weken in armoede te leven? Regioverslaggever Gerco Mons van De Gelderlander in Doetinchem probeerde het en deed er in zijn editie verslag van. De redactie nam het initiatief voor een Achterhoekse Week van de Armoede, organiseerde informatiemarkten en een debat, en verzorgde verwenmaaltijden.

Het Kasteel van de Sint

Eveneens in Oost-Gelderland toverde verslaggeefster Ellen Willems van het team Lekker Achterhoek het Huis Bergh om in het Kasteel van de Sint. Bezoekers kunnen er streekproducten proeven, kinderen zelf pepernoten bakken.

De redactie Maasland van De Gelderlander wijdde de eerste van een serie thema-Nieuwscafés aan gesprekken met mantelzorgers. Ook het Brabants Dagblad loopt vooruit op de veranderingen in de zorg. Lezers kunnen de redactie in Den Bosch er vragen over voorleggen. Bij De Gelderlander gaat een panel van lezers ervaringen met het nieuwe zorgstelsel bijhouden, want onder je lezers vind je ervaringsdeskundigen bij uitstek.

Dan zijn er nog de bus- en boottochten voor lezers onder begeleiding van deskundige dagbladverslaggevers en medewerkers. En wie in de Gelderse Vallei gewoon een keer haar of zijn verhaal kwijt wil, kan verslaggever Niek Verhoeven op de koffie vragen, die erover schrijft in zijn rubriek dGthuis.

Mix van journalistiek en marketing

Het zijn zomaar wat initiatieven die ik deze maand tegen kwam. Editieredacteuren schrijven niet alleen de krant vol, maar doen er tegenwoordig van alles bij. Nevenactiviteiten waarmee de redactie beoogt regionale en lokale ontwikkelingen op gang te brengen en te signaleren, bij te dragen aan het maatschappelijk debat en in één moeite door lezers te binden aan het merk van de krant.

De mix van journalistiek en marketing was lange tijd taboe op redacties, maar de tijden zijn veranderd. Hoofdredacties van de Wegener dagbladen zijn sinds kort ook verantwoordelijk voor marketing. Redactie en marketing delen bij De Gelderlander één ruimte, en bij het Eindhovens Dagblad vind je op flexplekken redacteuren en medewerkers van marketing en commercie door elkaar.

Op het eerste gezicht spotten deze activiteiten met het gangbare beeld van regiojournalistiek als een zorgelijke, ja zielige sector. Dalende aantallen betalende lezers en advertentie-inkomsten, een sector die niet uitblinkt in innovatie en uit de pas loopt met het sterk veranderde nieuwsgebruik van jongeren en steeds vaker ook van minder jonge generaties.

De tegenstelling tussen het stereotiepe, deprimerende beeld van de regiojournalistiek en de huidige opvallende expansie en grensverlegging is minder groot dan ze lijkt. In mijn onderzoek naar het reilen en zeilen op editieredacties zag ik dat er veel tijd, deskundigheid en creativiteit werd geïnvesteerd in extra activiteiten als themaproducties gekoppeld aan stadsdebatten. Die bleven nog wel dichter bij de journalistieke hoofdstroom dan de pepernoten en de Pannenkoekenboot. Het waren visitekaartjes voor krant en redacties.

De dagelijkse routines

Maar juist door de redactionele aandacht en inzet voor deze extra’s was het contrast met de dagelijkse productie voor krant en online groot. In het proces en de berichtgeving van alledag hadden routines de overhand en werd de stem van de bevolking maar spaarzaam gehoord.

In de gang van zaken op de drie editieredacties waar ik tussen 2010 en 2012 observeerde, mee vergaderde, vragen stelde en de berichtgeving analyseerde, zag ik dezelfde werkstructuren, hetzelfde routinematig afwerken van de agenda, dezelfde spanning tussen wat journalistiek van waarde werd gevonden en wat in de productie van de krant haalbaar was.

Typerend voor de editiecultuur vond ik het dagelijkse ochtendoverleg. Hierin zou je vragen verwachten als: wat leeft er vandaag in stad en regio, welke eigen nieuwsonderwerpen pakken we aan, en hoe, maken we gebruik van elkaars kennis, ervaring en netwerken, zit er op andere redacties expertise die we kunnen benutten, waarin kunnen we proactief zijn in plaats van reactief?

Tijdens mijn onderzoek hoorde ik deze vragen zelden of nooit stellen. Ik hoorde vooral lijstjes opsommen: agenda-onderwerpen en afspraken van verslaggevers. Onderwerpen die meteen werden gekoppeld aan vaste elementen op de pagina’s voor de volgende dag(en). De enkele keer dat ik bij een ochtendoverleg een kritische inhoudelijke opmerking hoorde over een onderwerp dat een andere verslaggever wilde aanpakken, werd er niets mee gedaan. Non-interventie leek de norm, al hing dat wel af van het voorzitterschap van het overleg.

Digital first?

Ik noteerde op de drie redacties dezelfde verschillen in visie. Over digital first, over de vraag of krant en website aan dezelfde kwaliteitsmaatstaven zouden moeten voldoen, over de vraag welke kwaliteitsopvatting leidend zou moeten zijn in de nieuwsselectie en nieuwsgaring, en of een grotere inbreng van lezers nuttig en wenselijk is.

Op het digital first-beleid bleken editieredacties eigen uitzonderingen toe te passen. Belangrijk eigen nieuws gaf men niet weg op internet maar bewaarde men voor de krant, omdat men met de krant wilde scoren. Een beperkt deelonderzoek in Tilburg wees uit dat de internetberichtgeving vaker achter de krant aan liep dan andersom.

Deden editieredacties wel eens een poging een gezamenlijk beleid uit te stippelen en ook uit te voeren? Ik heb er niets van gemerkt. Het kwam erop neer dat de interpretatie van digital first van dag tot dag kon wisselen, zonder dat er een haan naar kraaide.

Verdieping of verbreding?

De vraag in welke kwaliteiten de editieberichtgeving zich bij uitstek kon onderscheiden, leverde eveneens verschillende opvattingen op. Op elke redactie zette een deel in op verdieping en eigen onderzoek in de krant, een ander deel op het bieden van een breed pakket aan groot én klein nieuws, en een deel dat vond dat het een niet zonder het ander kan. Het laatste is natuurlijk waar, omdat de regiokrant nu eenmaal heterogene lezersgroepen bedient. Voor de een is editieberichtgeving die weinig toevoegt aan wat een huis aan huisblad gratis biedt, het geld niet waard. Voor de ander heeft een krant die een week lang geen dorpsnieuws uit Hilvarenbeek of Herpen zou brengen, na een tijdje afgedaan.

Uit de spagaat tussen verdieping en verbreding kan een editieredactie niet worden verlost. Zij kan wel een stabieler evenwicht bewaren, aangezien een sterke nadruk op paginaproductie in de praktijk nadelig blijkt uit te pakken voor eigen onderzoek en verdieping. Tot frustratie van de ‘verdiepers’.

De invalshoek van de wijk- of dorpsbewoner

“We luisteren meer dan vroeger naar de lezer”, was de algemene opvatting op de editieredacties. Toch deed men weinig tot geen moeite om nieuwsonderwerpen te benaderen vanuit de invalshoek van de wijk- of dorpsbewoner. Institutionele bronnen bleven de boventoon voeren. En áls de gewone man of vrouw aan het woord kwam, gebeurde dit vaak in aparte rubrieken, zoals dat eigenlijk nog steeds gebeurt. Als bron in het gewone nieuws spelen stads- en dorpsbewoners een bijrol, ook al wonen ze bij de redactie om de hoek. In dit opzicht is er weinig veranderd vergeleken met de periode vóór de komst van internet en sociale media.

Toch waren er op elke editieredactie wel verslaggevers die het publiek via sociale media bij hun nieuwsgaring betrokken en zo hun informatie-netwerken uitbreidden. Eigen wijkcontacten van redacteuren konden een heel ander beeld opleveren dan de plaatselijke autoriteiten via hun voorlichters in de media wilden laten zien. Maar crowd sourcing en onafhankelijk speurwerk waren vrijwel altijd het initiatief van individuele redacteuren; hun werkwijzen en netwerken maakten geen deel uit van de werkstructuren in het dagelijkse redactieproces.

Suggesties ter verbetering

Er zit sleet op de regiojournalistiek als gevolg van productiedruk, krappe bezetting, routines en professionele nieuwsdefinities die de lezer op afstand houden.

Hoe kan en moet het beter? Een paar suggesties:

1. De meerwaarde van een kwantitatief en kwalitatief sterke editieredactie ligt in collectieve kennis, ervaring, netwerken en reflectie. Die zou veel vaker vanaf het ochtendoverleg kunnen worden benut voor eigen relevante producties, invalshoeken en research. Hierin zouden editieredacties zich duidelijker moeten onderscheiden van alle andere lokale nieuwsmedia.

2. Crossmediale planning hoort te gebeuren vanaf de eerste stap in het dagelijks productieproces. Crossmediale productie heeft alleen meerwaarde met een eigen nieuwsaanpak en een sterk accent op interactiviteit.

3. Kennis en ervaringen van lezers/sitebezoekers kunnen door editieredacties worden aangeboord in alle stadia van het nieuwsproces: het aandragen van nieuwsonderwerpen (voorbeeld: Yournalism), het leveren van input op onderwerpen die de redactie gaat aanpakken of waarmee zij bezig is (The Guardian bijvoorbeeld zet lijsten met onderwerpen in uitvoering online), het opbouwen en onderhouden van contacten in dorpen en wijken (voorbeeld: het experiment met de rijdende redactie deBuzz) en vormen van cocreatie van journalisten en niet-journalisten, zoals die op allerlei online-nieuwssites te vinden zijn. Interactiviteit is een verrijking, geen last.

4. Een suggestie waarmee ik het van harte eens ben, komt van Erik van Heeswijk: curatie. Waarom in het editiekatern niet meer goede stukken opgenomen die men elders over de regio leest? Het web staat vol met columns, foto’s en quotes van lezers, er zijn stukken audio op de lokale zenders. Als ze met de smaak en de kritische blik van de professionele journalist worden ‘gecureerd’ kan dat interessante journalistiek opleveren. De redactie laat bovendien zien dat ze weet wat er leeft.

Zolang editieredacties hun meerwaarde als collectief van kennis, ervaring en creativiteit niet uitbuiten, fungeren ze hoofdzakelijk als productie-units. Daarmee zetten ze de deur wijd open voor een concernleiding die editieredacties wil inkrimpen tot een kleine kern van vaste redacteuren met eromheen een schil van payrollers en freelancers. Dit is geen denkbeeldig scenario in het licht van de aanstaande overname van Wegener door de Persgroep van Christian van Thillo.

Organisatorische problemen

Afgezien van enkele kanttekeningen vanuit het redactiemanagement, stuitte de publicatie van mijn promotieonderzoek ‘Regiojournalistiek in spagaat’ niet op journalistieke hakken in het zand. Integendeel, editieredacties willen er lering uit trekken; ook redacties die niet in het onderzoek betrokken waren.

Bij mijn bezoek aan het Brabants Dagblad, eerder deze maand, noemden redacteuren het geschetste beeld absoluut herkenbaar. Een aanzienlijk deel van mijn discussie met en de discussie tussen redacteuren ging vervolgens over interne organisatorische en communicatieproblemen. Dat vond IK nu weer herkenbaar.

Een redacteur merkte op dat de redactie wel veel soorten overleg heeft, maar dat die te weinig zijn gericht op de journalistieke inhoud en aanpak.

Bingo! Dáárover zou het juist moeten gaan.

Heruitvinding van de regiojournalistiek

Ten slotte de hamvraag: Kán de sleets geworden regiojournalistiek zich wel heruitvinden?

Mijn antwoord is: het zal wel moeten.

Te beginnen met de opwaardering van de rol van de lezer, en de erkenning van het grote voordeel dat lezersinbreng in alle stadia van het redactieproces kan hebben. Lezers in stad en streek zijn niet alleen het commerciële en sociale kapitaal van de editieredactie, ze zijn ook het journalistieke kapitaal. Mits redacties ervoor open staan.

Opwaardering van de interactie met het publiek zou tevens de online-platforms van regiokranten een impuls kunnen geven. Nu hangen reacties van het publiek er te vaak nog voor spek en bonen bij.

Heruitvinding betekenen ook: het revitaliseren van de potenties van het redactiecollectief. Gezamenlijk inhoudelijk overleg kan het nieuwsproces weer uitdagend en creatief maken. Het creëert bovendien draagvlak in de redactie voor journalistiek-inhoudelijke vernieuwingen, en voor integratie van vernieuwingen in het dagelijkse nieuws- en productieproces.

Maken redacties hier geen werk van, dan dreigt vroeg of laat met de papieren krant ook het fundament onder de professionele regiojournalistiek te verdwijnen.

Het verslag van Kees Buijs’ onderzoek Regiojournalistiek in spagaat is te downloaden op Persinnovatie.nl [pdf!]. Het gelijknamige proefschrift is uitgegeven door Boom Lemma in Den Haag.

Al één reactie — discussieer mee!