De verandering die de journalistiek doormaakt is net zo fundamenteel als de overgang naar de massapers aan het eind van de negentiende eeuw. Ook toen gingen verdienmodellen en functies van journalistiek volledig over de kop. Er is passie, creativiteit en durf nodig om de regionale journalistiek opnieuw uit te vinden, betoogde Marcel Broersma tijdens het symposium ‘Hoe verder met de Friese media?’ van het Koninklijk Fries Genootschap.

Het is nog nooit zo goed gegaan met de journalistiek. Nieuws en informatie zijn voor iedereen onder handbereik. Meer dan ooit tevoren worden er dagelijks interessante, intelligente en goed vertelde verhalen en analyses gemaakt. De mogelijkheden die te verspreiden onder geïnteresseerde publieken zijn onbegrensd.

Nooit eerder werden nieuwsconsumenten zo goed en uitvoerig geïnformeerd. Nooit eerder werd de wereld voor hen zo uitvoerig geduid en in kaart gebracht. Nooit eerder werd de macht zo hartstochtelijk gecontroleerd.

Na het nieuws van de afgelopen dagen over ontslagen in de regiojournalistiek en de onheilspellende aankondiging voor de bijeenkomst van vandaag verwachtte u het misschien niet: het is nog nooit zo goed gegaan met de journalistiek.

Maar toch. Bij alle enthousiasme, alle nieuwe digitale mogelijkheden en de schatkist aan informatie die voor burgers is opengegaan, is er ook een keerzijde. Vertrouwde nieuwsmedia, en dan met name de dagbladen, hebben het moeilijk in een onstuimig medialandschap dat momenteel fors wordt opgeschud. Vorige week hoorde het personeel van de NDC in het Friesch Paardencentrum te Drachten (!) dat 105 banen verdwijnen, waarvan 48 op de redacties. Bij de kranten van Wegener verdwijnen bijna 275 banen, waarvan 93 op de redacties. Ook bij de regionale omroepen zal weer bezuinigd moeten worden.

Is dat een probleem?

Ja, dat is een groot probleem. In de eerste plaats voor de mensen die hun baan verliezen. In de tweede plaats voor de democratie. In een periode waarin steeds meer bevoegdheden worden overgeheveld naar lokale en provinciale overheden, is democratische controle daarop van het hoogste belang. Iedere bestuurder moet af en toe – en het liefst heel regelmatig – de druk voelen van een kritische journalist, hijgend in zijn nek.

Maar wat daarnaast vaak over het hoofd wordt gezien: journalistiek heeft ook een sociale functie. En die is van minstens evengroot belang. Journalistiek gaat niet alleen over het controleren van de macht en het faciliteren van burgerschap. Het gaat ook over identiteit, gemeenschapsvorming en samenleven.

Nieuws is het smeermiddel voor een goed functionerende samenleving. Het biedt burgers een gedeeld referentiekader. Zonder nieuws en informatie is het niet mogelijk om op elkaar betrokken te blijven – hoezeer dat soms ook schuurt. Een gemeenschap is geen gegeven, maar een product van discussie en onderhandeling. Journalistiek is nodig om dat proces te faciliteren en te bewaken.

De regionale dagbladen, en in mindere mate, de huis-aan-huis bladen en de regionale en lokale omroep vormen de ruggengraat van het lokale nieuws. Zij verschaffen burgers de informatie die ze nodig hebben om deel te kunnen nemen aan de samenleving.

De waakhondfunctie is vooral in handen van dagbladen, concludeerde het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek vorig jaar in een studie naar lokaal nieuws. Voor de infrastructuur voor lokaal en regionaal nieuws zijn regionale kranten van het grootste belang.

Aan de onderkant komen er wel nieuwe online initiatieven bij, variërend van lokaal gewortelde nieuwsplatforms tot de TMG-formule Dichtbij. Friesland heeft bijvoorbeeld niet te klagen over het aanbod aan online nieuwssites. Maar de kwantiteit is omgekeerd evenredig aan het bereik. Er wordt wel veel gezonden maar weinig ontvangen. En de kwaliteit van de boodschap valt soms tegen. Daarmee is het gat dat valt in de regionale journalistiek dus nog niet gevuld.

Paradox

Kortom: hier ligt een interessante paradox

Het gaat goed met de journalistiek. De kwaliteit is een stuk beter dan, zeg, twintig jaar geleden. Maar steeds minder mensen nemen een abonnement op een krant. De duurzaamheid van traditionele massamedia en de infrastructuur voor regionaal nieuws staan daarmee onder druk. Hoe kan dat? Gaat de journalistiek aan zijn eigen succes ten onder?

Onder deze paradox liggen twee ontwikkelingen die journalistiek – en breder: media, nieuws en informatie – structureel veranderen.

Ten eerste hebben we te maken met de overgang van een industriële logica naar een post-industriële logica gebaseerd op netwerken en digitale technologie. Hierdoor verandert het speelveld voor journalistiek fundamenteel.

Ten tweede verandert gemeenschapsvorming van karakter. Wat een gemeenschap (of in Friesland: mienskip) is – hoe die tot stand komt en functioneert – is veel minder eenduidig dan, zeg, dertig jaar geleden.

In essentie hebben alle gevestigde nieuwsorganisaties met deze ontwikkelingen te maken. Er is hierbij weinig verschil tussen landelijke – of zelfs internationale – en regionale of lokale media: de mechanismen zijn hetzelfde. Die zijn “disruptive”, zoals Clayton Christensen van de Harvard Business School ze noemt – ze ontwrichten de bestaande verhoudingen in het mediaveld.

Kenmerk van ontwrichtende vernieuwing is dat, in de woorden van Christensen, “doing the right thing, is doing the wrong thing”. Managers – en hier ook: journalisten – kunnen alles goed doen: het bestaande product verbeteren, de bedrijfsvoering efficiënter maken en de winst maximaliseren. Kortom: alles wat de regionale journalistiek de afgelopen decennia heeft gedaan.

Maar deze strategie van “incrementele” groei werkt niet wanneer een nieuwe technologie – zoals internet en digitalisering – de markt ontwrichten. Nieuwe spelers boren nieuwe behoeftes aan en bevredigen bestaande behoeftes op een betere manier. Een beetje aanpassen is dan niet genoeg. Je moet buiten de gebaande paden kunnen denken, kunnen innoveren, durven falen – genoegen nemen met lage winsten of grote aanloopverliezen.

“Companies that don’t continue to experiment, companies that don’t embrace failure, they eventually get in a desperate position where the only thing they can do is a Hail Mary bet at the very end of their corporate existence”, zei Amazon-topman Jeff Bezos onlangs. “Whereas companies that are making bets all along, even big bets, but not bet-the-company bets, prevail.”

Het onderliggende probleem van de (regio-)journalistiek is dat zij onvoldoende onderkent dat het ecosysteem voor nieuws en informatie structureel verandert – en al veranderd is. Het is voor gevestigde mediabedrijven niet alleen heel moeilijk om te veranderen – het is ook niet zo aantrekkelijk. Het gaat hier niet alleen om onvermogen, maar ook om onwil.

Industriële logica

Laten we met de eerste ontwikkeling beginnen: de journalistiek houdt zichzelf gevangen in een industriële logica.

Wie de huidige situatie wil begrijpen, moet zich realiseren dat journalistiek een laat 19e eeuwse uitvinding is. En dat er sindsdien in essentie weinig aan het vak is veranderd.

Wat bedoel ik hiermee? De journalistiek is in al zijn facetten georganiseerd volgens een industriële logica. Die logica is er één van schaal en efficiëncy. Traditionele massamedia gaan uit van een monopolie op distributie en maken zo efficiënt mogelijk één identiek product voor een zo groot mogelijk publiek.

De hele bedrijfsvoering is hierop ingericht: van het business model (het verkopen van abonnees aan adverteerders) tot het drukken van de krant en de distributie. Maar ook: het redactieproces. Dat is helemaal ingericht om volgens vaststaande routines iedere dag zo snel en effectief mogelijk de pagina’s van dat ene product te vullen.

Wie schaal verliest, heeft in dit model direct een majeur probleem in zijn bedrijfsvoering. De strategie van uitgevers in de afgelopen decennia is daarom te vatten in drie woorden: schaalvergroting, kostenreductie en prijsverhoging.

Heel rationeel, maar geen klimaat waarin innovatie gedijt.

De huidige malaise bij de Noordelijke Dagblad Combinatie (NDC) is voor een groot deel terug te voeren op handelen volgens deze industriële logica. Basisverbreding, via de aankoop van een uitgeverij van publieksboeken (VBK) en een uitgever van schoolboeken (ThiemeMeulenhoff), moest schaal – en dus zekerheid – garanderen.

Dat was een defensieve strategie en weinig vooruitziend, want de boekenmarkt is aan dezelfde ontwikkelingen onderhevig als de krantenmarkt. Met de opkomst van het internet en digitale technologie is de consument niet meer aangewezen op een beperkt aantal fysieke informatiedragers. Die manoeuvreert om de duurbetaalde distributiemonopolies van uitgevers heen. In plaats van te verbreden, had de NDC dus beter kunnen innoveren.

Het is de vraag – zeg ik retorisch – of de industriële logica waarvan de bedrijfstak is doordrenkt nog werkt in de netwerksamenleving. Nu oplages teruglopen is schaal steeds moeilijker te bereiken. De afgelopen decennia – kijk naar Wegener en nu de NDC– hebben we machteloze pogingen gezien om hieraan vast te houden.

Waarom? Niet omdat het slecht ging met het dagbladbedrijf. Sterker nog: het gaat veel te goed. Ok, er worden minder kranten en advertenties verkocht, en er wordt gesnoeid op redacties, maar de prijselasticiteit van de krant is hoog – net als de winstmarges. Als je als uitgever de prijzen ieder jaar maar een beetje verhoogt, dan zijn er weliswaar minder lezers maar blijven de inkomsten op peil. De lezer en zijn krant: tot de dood ons scheidt.

Uitgevers zijn zich blijven vastklampen aan het verleden en aan een logica die snel verdwijnt, maar nog wel winstgevend is. Uitgevers maken nog steeds marges waar Albert Heijn straaljaloers op zou zijn. Waar een retailer blij is met een procent of 5 tot 7, willen krantenuitgevers dubbele cijfers schrijven.
Papier rendeert. Waarom zou je die kip met de gouden eieren om zeep helpen?

Er is dus weinig drive om echt te veranderen – ook al omdat er geen duidelijk business model is (of was) voor online journalistiek. Het resultaat: als krantenconcerns niet oppassen, kachelen ze zachtjes naar het einde.

Behoudzucht op redacties

Niet alleen uitgevers zijn behoudend. Op redacties is het niet veel beter. En dat is bedoeld als een constatering, niet als een verwijt.

Ook redacties – blijkt bijvoorbeeld mooi uit het pas verschenen boek van Kees Buijs over het gebrek aan vernieuwing bij regionale kranten – zijn nog helemaal georganiseerd volgens de geldende industriële logica. Pagina’s vullen tot de deadline. Volgens het ritme van het fysieke product.

Uit onderzoek van Klaske Tameling (Rijksuniversiteit Groningen) op nieuwsredacties blijkt dat journalisten zichzelf ook in die termen zien: ze zijn “dagbladjournalist” of werken bij een programma. Online zien ze als tweede garnituur, zo blijkt uit haar boek over convergentie en crossmediale journalistiek dat dit voorjaar verschijnt.

Ondertussen vinden die journalisten wel dat ze professioneler zijn geworden, kritischer, dat ze toegankelijker schrijven en gewoon een betere krant of uitzending maken. En de cynische werkelijkheid is: ze hebben gelijk.

Maar het kenmerk van ontwrichtende vernieuwing is dat het bestaande beter doen, geen oplossing biedt voor de toekomst. Terwijl journalisten professionaliseerden, vergaten ze één ding: te denken vanuit de lezer. Onafhankelijkheid was het hoogste goed. Journalisten maakten het nieuws. Lezers moesten lezen.

In welke functie nieuws voorzag, laat staan of en hoe het de lezer bereikte, dat was niet tot nauwelijks onderwerp van gesprek. “De lezer neemt de krant met eerbied en leest hem in gehoorzaamheid”.

Die lezer haakte af – en haakt steeds verder af. Of beter gezegd: er komen te weinig nieuwe, jonge lezers bij. De nieuwsconsument is ook kritischer geworden: zijn leefritme en mediagebruik zijn veranderd. Voor jongeren geldt dat mobiel zo langzamerhand het belangrijkste platform is. De hele dag door – veelal op momenten dat er even niets beters te doen is – wordt even snel het nieuws gecheckt.

Mediagebruik is fluïde en in toenemende mate sociaal: nieuws komt tot je via zoekmachines en sociale media. Via aanbevelingen van mensen in je netwerk. Minder dan vijftig procent van de bezoekers van de meeste nieuwswebsites landt nog direct op de homepage. Het heeft Amerikaanse media-watchers er al toe gebracht de homepage dood te verklaren.

Nieuwsconsumenten hebben het nieuws al lang ontbundeld – nog voor Blendle en ver voordat uitgevers hierover na gingen denken. Zij gaan steeds minder uit van één nieuwsproduct dat het hele jaar door voor hen samenvat wat er de afgelopen 24 uur zoal is gebeurd, zoals de krant en het journaal. Zij vinden associatief hun weg in het totaalaanbod van nieuws online. Zij monitoren, checken en snacken het nieuws via tal van kanalen. Hun perceptie van wat nieuws is, verschilt per groep en per gelegenheid.

En ondertussen maakten journalisten de krant. En programma’s. Elke dag weer. Voor steeds iets minder mensen en met steeds iets minder redacteuren. Het zou naïef zijn hen te verwijten dat ze niet zijn gaan pionieren. Zij zijn bezig met hun verhaal. Om dat in de beperkte tijd die ze hebben zo goed mogelijk te maken. Met hart en ziel. En uit onderzoek, bijvoorbeeld uit de enquête die mijn Groningse collega Jeroen Smit enkele jaren terug deed voor zijn oratie, blijkt dat ze dat ook het liefst willen blijven doen. Op dezelfde manier als in de afgelopen decennia.

U denkt nu wellicht dat ik een wat karikaturaal beeld schets: alsof er sinds 1875 niets is veranderd. Ja en nee. Kranten hebben ook het internet ontdekt, hebben apps gemaakt, video, ze proberen crossmediaal te denken. Maar mijn punt is: die veranderingen zijn incrementeel, vinden plaats binnen de kaders van de bestaande industriële logica – en miskennen daarmee de wezenlijke, structurele veranderingen in de markt voor nieuws. Online was voor kranten “gewoon” een nieuw platform.

Nogmaals: een beetje veranderen is niet genoeg. Om journalistiek te bedrijven die aansluit bij het ritme van online en verschillende deelpublieken bedient met passende producten, is een ander type logica nodig. Een logica die past bij een post-industriële netwerk-samenleving. Daarvoor moet de cultuur van de organisatie op zijn kop worden gezet. Dat is buitengewoon lastig – en helemaal in gevestigde mediabedrijven die doordrenkt zijn met de oude, vertrouwde industriële logica.

Regionale gemeenschappen

Waar journalistiek een laat negentiende-eeuwse uitvinding is, zijn onze huidige regio’s vroeg negentiende-eeuwse uitvindingen. Regionale en stedelijke identiteiten die wij nu als vanzelfsprekend ervaren, zijn geconstrueerd in het proces van eenwording van Nederland.

Kranten speelden daarin een belangrijke rol. Zij lieten dagelijks zien in hun berichtgeving welke plaatsen en bevolkingsgroepen bij de regio hoorden. Zij gaven invulling aan regionale identiteit: wat betekende het nu om Fries te zijn, welke gebruiken, rituelen, eigenaardigheden hoorden daar nu bij? Hoe zat het met taal en geschiedenis?

Identiteit en regionale gemeenschappen zijn geen vanzelfsprekendheid. Dat wordt vaak vergeten, hoewel in Friesland wat minder vaak dan elders. De krant, en later de omroep, heeft de regio mede geschapen. Zij schiep een verbeelde gemeenschap van mensen die elkaar niet persoonlijk kenden, maar wel beseften dat zij bij elkaar hoorden.

Een succesvol regionaal dagblad staat midden in de samenleving en profiteert van de sociale verbanden die zij helpt te creëren. Maar onder invloed van communicatietechnologie is de aard van die sociale verbanden veranderd. De regionale krant verschaft haar lezers een totaalpakket van grotendeels onsamenhangende berichten die louter gemeen hebben dat ze in een bepaald gebied zijn gebeurd. Maar het lokale en regionale is minder dwingend geworden bij de vorming van gemeenschappen.

Langzaam maar zeker verdampen grote overkoepelende identiteiten en raakt het publiek gefragmenteerd. Nu de mogelijkheden om gratis en associatief informatie te vinden razendsnel toenemen, volgen nieuwsconsumenten online vooral hun interesses. Die worden soms bepaald door de plaats waar iets is gebeurd, maar vaak ook door het onderwerp. Of mede door het onderwerp.

Nieuwsconsumenten vinden niet alles interessant wat in de regio is gebeurd, omdat het in de regio is gebeurd. De leidelijke burger van weleer die zich uit opperste plichtsbetrachting door al het regionale nieuws heen worstelde, heeft plaatsgemaakt voor een kritische consument. Die verenigt zich ook, of vooral, in interesse- of smaakgemeenschappen.

Betekent dit nu dat regionale journalistiek minder waardevol is geworden? Nee – volstrekt niet.

Uit een beperkt onderzoek dat we vorig jaar aan de Rijksuniversiteit Groningen deden naar nieuwsgebruik van studenten op Facebook en Twitter bleek dat lokaal en regionaal nieuws bij hen nog steeds bovenaan stond. Maar dan wel het nieuws dat waarde heeft voor hun dagelijks leven en dat aansluit bij hun interesses.

Uit ander onderzoek weten we dat burgers nog steeds vinden dat journalistiek de waakhond van de democratie moet zijn. Dat zij waarde hechten aan onafhankelijke, kritische en betrokken regionale journalistiek. Maar tegelijkertijd weten we dat journalistiek voor velen zoiets is als lucht: het is er wel, maar je bent je er niet voortdurend van bewust. En het voelt gratis.

Naar een nieuwe logica

Gevestigde nieuwsmedia moeten in het post-industriële tijdperk hun legitimiteit en waarde opnieuw bewijzen. Zij hebben de erfenis van eeuwen op hun schouders. Dat kan ballast zijn, maar vormt ook een groot kapitaal. Ze hebben nog steeds veel slagkracht, veel expertise, een grote reputatie en een institutioneel geheugen.

Maar zij worden uitgedaagd door nieuwe spelers in het veld van nieuws en informatie die in alle opzichten wendbaarder zijn. Zij kunnen beginnen op een zolderkamer of in een garage, met betrekkelijk kleine investeringen, en zonder de kaders van bestaande bedrijfsvoering en een routineuze journalistieke cultuur.

Een aantal van die nieuwe spelers is niet in de eerste plaats journalistiek. Het zijn zoekmachines, aggregatiesites of sociale netwerken die in latente behoeftes van het publiek voorzien. Maar ook zij ontsluiten de wereld voor de burger. Ook zij construeren gemeenschappen. En daarbij maken ze spelen ze soepel in op de logica van de netwerksamenleving die ze tegelijkertijd deels zelf uitvinden.
Is er dan nog een rol voor de gevestigde regionale media? Ja, maar die moeten dan wel fundamenteel anders gaan denken. De kunst is de kracht van het oude mee te nemen in het nieuwe.

Melken en zaaien

Ga melken en zaaien. De krant maakt nog steeds winst. Gebruik dit geld om een parallelle organisatie te bouwen gericht op online journalistiek. Dat kan binnen de redactie, door mensen helemaal vrij te maken voor nieuwe producten. Of door je hele organisatie digital first te maken. Alle journalistiek wordt in dit model voor online gemaakt, en aan het eind van de dag stelt een klein groepje redacteuren uit het aanbod de krant samen, of een programma. Een goed betaalmodel is dan wel een voorwaarde.

Wat ook kan: een hele nieuwe organisatie creëren die losstaat van krant of programma’s, volledig digitaal werkt, vrijelijk mag putten uit bestaande kopij, en de krant naar hartenlust mag kannibaliseren. Dat betekent: investeren in bereik, en dus in de toekomst.

Journalisten die onbelemmerd nieuwe (online) producten kunnen maken, hebben niet meer de ballast van de dagelijkse krant – zij kunnen aan de dwang van die industriële logica ontsnappen. De toekomst van (regionale) journalist ligt uiteindelijk online. Met de krant is in de komende jaren nog genoeg geld te verdienen. Maar papier is het nieuwe vinyl: net als de LP een duur gemaks- en kwaliteitsproduct voor een kleine groep welgestelde nieuwsconsumenten.

Van product naar service

Denk niet in termen van een fysiek product, maar in functie, relevantie en behoefte. In welke behoeftes moet regionale journalistiek voorzien? Dat varieert op verschillende momenten van de dag. Dat verschilt tussen groepen lezers. Trek eerstelijns- en tweedelijns nieuws uit elkaar. Voor het snelle nieuws – waar nauwelijks een cent meer mee is te verdienen – kunnen regionale dagbladen en omroepen goed samenwerken. Daarmee speel je mensen vrij die digitaal de diepte in kunnen.

Welke sociale functies heeft journalistiek? Ga nieuwe gemeenschappen bouwen, samen met de burgers die daarvan deel willen uitmaken. In de woorden van Jeff Jarvis: “Journalism helps communities to organize their knowledge so they can better organize themselves.” Wees zichtbaar en betrokken.

Regionale media zitten op een schat aan kennis en informatie die nu vaak voor eenmalig gebruik is. Maak dat beschikbaar en zorg dat je dé centrale hub wordt in het regionale nieuwsnetwerk. Daar ligt ook een publieke functie en een publieke taak. De overheid kan heel goed in die infrastructuur voor nieuws- en informatie investeren.

Durf te innoveren (en durf te falen)

Maar bovenal: durf iets nieuws te doen – en het oude te vernietigen; of in ieder geval te verlaten. Journalistiek is bij uitstek een creatief beroep. Daar zit ontzettend veel passie, loyaliteit en enthousiasme. Ga aan de slag en kom met nieuwe initiatieven die relevant zijn en aansluiten bij latente en manifeste behoeftes.

Veel zal mislukken, maar dat is niet erg. Kenmerk van ontwrichtende vernieuwing is een grote mate van onzekerheid. Dat is inherent aan innovatie. De toekomst van de (regionale) journalistiek zal werkende weg moeten worden uitgevonden.

Verwacht niet dat die nieuwe initiatieven dezelfde rendementen maken die kranten maken. Het huidige verdienmodel – waarbij abonnees een kwartaal, half jaar of zelfs een jaar vantevoren betalen voor een product waarvan ze niet weten hoe het eruit ziet en niet eens of ze het überhaupt ontvangen – is te mooi om nog waar te zijn. Uitgevers zullen genoegen moeten nemen met lagere rendementen en er zal niet meer één verdienmodel zijn.

Durf te differentiëren

Ten slotte: durf te kiezen en te differentiëren. Journalistiek is geen massamedium meer dat voor elk iets wils moet bieden in één pakket dat ’s ochtend op de mat valt. Ga van één product naar meerdere services, waarbij je inspeelt op de jobs-to-do die journalistiek heeft. Zo kunnen verschillende behoeftes en groepen nieuwsconsumenten worden bediend.

Wees niet bang betrokkenheid te tonen bij de regio. Uit onderzoek weten we dat lokaal nieuws voor de meeste burgers waardevol is. Daar ligt toegevoegde waarde, maar nog steeds beginnen alle regionale kranten – behalve één – elke dag met een katern binnen- en buitenland.

Ook waar het gaat om regionaal nieuws wordt de agenda nog te vaak gevolgd dan bepaald. Een krant die zich “eigenaar” maakt van een thema of onderwerp kan de maatschappelijke discussie bepalen. Dat leidt er toe dat regionale journalistiek zichtbaarder en onmisbaar wordt.

Het initiatief nemen loont. Maar wie twee vernieuwingen doorvoert, moet ten minste met één vertrouwde routine stoppen. Dit vergt een heldere strategie en enthousiasmerend leiderschap.

De verandering die journalistiek momenteel doormaakt is net zo fundamenteel als de overgang naar de massapers aan het eind van de negentiende eeuw. Ook toen gingen bestaande praktijken, verdienmodellen en functies van journalistiek volledig over de kop.

Journalisten moesten niet alleen anders doen, maar vooral ook op een nieuwe manier leren denken over wat journalistiek nu eigenlijk was en doet. Wat is de rol van journalistiek in een samenleving en hoe kan die rol het beste worden ingevuld?

Er is een interessante parallel met de huidige situatie. Digitalisering en het internet hebben het “oude” ecosysteem ontwricht. Patronen van mediagebruik en nieuwsconsumptie veranderen structureel. Wat een gemeenschap is, verandert structureel.

Er is passie, creativiteit en durf nodig om de journalistiek opnieuw uit te vinden. Over het belang van goede regionale journalistiek zijn we het snel eens. Maar om dat te garanderen, is “een beetje veranderen” simpelweg niet meer genoeg.

Al 3 reacties — discussieer mee!