Zodra een journalist ten val komt door het verzinnen van bronnen en citaten, is het vaak veel eerder al misgegaan. Onderzoek naar journalistieke malversaties resulteert daardoor telkens in de geschiedschrijving van een aangekondigde verrassing.

Het journalistieke werk van Perdiep Ramesar ligt op dit moment onder het vergrootglas, wegens “ernstige twijfel over de juistheid en zelfs het bestaan van opgevoerde bronnen.” Het gegeven dat hij Trouw heeft verlaten en er een externe commissie aan het werk is gezet, illustreert dat het stadium van vage vermoedens of een eenmalig ongeluk allang is gepasseerd.

Of de onderzoekers Jeroen Smit en Egbert Myjer snel klaar zullen zijn, hangt af van wat ze allemaal tegenkomen en hoe diep ze moeten afdalen in de archieven van Trouw. Eerdere affaires met journalisten die bronnen verzonnen laten zien dat het nooit bij een enkel artikel blijft. Op het moment dat een journalist geen verklaring kan geven over de herkomst van personen, citaten en gebeurtenissen, ligt er vaak een omvangrijk oeuvre.

Jonah Lehrer

Zo ging het spoor van de in 2012 gestruikelde Jonah Lehrer terug tot minstens 2008. Lehrers journalistieke carrière bij The New Yorker kwam schoksgewijs tot stilstand. Eerst moest hij openlijke excuses maken voor het uitgebreid recyclen van eerder gepubliceerde essays in nieuwe verhalen. De genadeslag kwam een paar weken later toen een journalist van Tablet quotes van Bob Dylan in Lehrers boek “Imagine” niet kon traceren. Lehrer loog in eerste instantie over de bron, maar moest korte tijd later toegeven dat hij ze zelf had verzonnen.

Lehrer was voordat hij bij The New Yorker in dienst kwam een prominent blogger bij Wired; hij schreef vooral over hersenonderzoek en menselijk gedrag. Het magazine gaf Charles Seife opdracht om een selectie van verdachte blogposts te checken. Seife’s analyse van Lehrers werk toont uitgebreide recycling van eigen publicaties, soms meerdere alinea’s.

Daarnaast haalde Lehrer quotes uit universitaire persberichten en deed alsof hij ze zelf had opgetekend tijdens interviews met onderzoekers. Enkele posts bevatten een vrijwel woordelijke overname van tekstdelen uit blogs van collega-journalisten. En er waren ook nog problemen met feitelijke onjuistheden en onnauwkeurige citaten. Seife schrijft verbaasd te zijn dat het uitgebreid recyclen van eigen teksten niet veel eerder is opgemerkt.

Jayson Blair

Te laat signaleren en ingrijpen bij malversaties is een van de redenen waarom de verzinsels van Jayson Blair zo’n enorme impact hebben gehad op de reputatie van de New York Times. In de vier jaar voorafgaand aan de voor de krant pijnlijke affaire waren intern al vijftig correcties genoteerd in Blairs artikelen, veel meer dan gebruikelijk. Blairs redacteur schreef een memo naar het newsroom management, met een inmiddels beroemde quote: “We have tot stop Jayson from writing for the Times. Right now.”

Uiteindelijk werd Blair in het voorjaar van 2003 ontmaskerd door een interview met een moeder van een in Irak vermiste soldaat. De minutieuze beschrijving van het huis en het meubilair wekten de indruk dat Blair op bezoek was geweest, maar hij had alle couleur locale overgenomen uit een andere krant, meldde de journaliste die haar observaties teruglas in The New York Times. Toen The Times met die melding aan de slag ging, waren de beschuldigingen aan Blairs adres al onderwerp van nationale verslaggeving, aangevoerd door The Washington Post.

Fictieve interviews

The Times sloeg zelf aan het rechercheren. Een team van vijf verslaggevers en drie redacteuren vond in een week tijd nog meer problemen in 36 van de 73 onderzochte artikelen, die Blair het half jaar daarvoor had geschreven. Steekproeven in zeshonderd andere artikelen brachten nog meer potentiële verzinsels in het vizier.

Onderzoek door de Boston Globe, Blairs voormalige stageplaats en freelance-werkgever, bracht aan het licht dat hij in 1999 een interview met de burgemeester van Washington uit z’n duim had gezogen, aangevuld met stukken tekst uit de Washington Post. Achteraf blijken ruim daarvoor al, tijdens een studentredacteurschap bij een campuskrant, voorvallen te zijn geweest met opmerkelijke quotes en niet-traceerbare personen.

Stephen Glass

Stephen Glass is tot nu toe degene geweest die het verst ging in zowel het verzinnen van verhalen als het creëren van leugens eromheen. Hij vervalste aantekeningen, interviews, faxen, visitekaartjes, briefpapier en voicemails. Hij registreerde zelfs een website voor een bedrijf, dat figureerde in een verhaal over een hackende tiener. Het fictieve bedrijfje – Jukt Micronics – zou uiteindelijk zijn val inluiden.

Er waren in de jaren daarvoor al talloze klachten geweest van advocaten en politici, die het magazine wezen op grove fouten en onwaarheden. Maar Glass deed alles om z’n redacteuren en factcheckers op het verkeerde been te zetten, inclusief het expres verwerken van in het oog springende fouten om collega’s het gevoel te geven dat ze hun controlerende werk naar behoren deden.

Achteraf blijkt ruim de helft van de 41 stukken die Glass tussen december 1995 en mei 1998 schreef voor The New Republic allerhande vormen van fictie te bevatten: scenes, personen en gebeurtenissen waren aan z’n fantasie ontsproten. Daarbij zaten fraaie verzinsels, zoals een beurs voor Monica Lewinsky memorabilia.

Impact van wangedrag

Lehrer, Blair en Glass hebben een paar oppervlakkige overeenkomsten: ze waren op het moment van ontmaskering relatief jong (eind twintig, begin dertig). Verder deelden ze een combinatie van tomeloze ambitie, grote productiviteit en een neus voor spraakmakende verhalen. Die eigenschappen bepaalden hun razendsnelle carrière bij vooraanstaande titels – ondanks interne en externe signalen die wezen in de richting van problemen met journalistieke standaarden.

Een onderzoek naar journalistieke malversaties resulteert eigenlijk altijd in de geschiedschrijving van een aangekondigde verrassing. De alarmbellen zijn vaak al eerder afgegaan of de signalen lagen zo in het zicht dat velen zich verbaasd afvragen waarom het niet eerder is opgemerkt. De impact van journalistiek wangedrag reikt daardoor veel verder dan de daden van een individuele journalist. Ook dat heeft gevolgen voor het leren van lessen en geven van bruikbare aanbevelingen.

Arno van 't Hoog

Redacteur

Arno van ’t Hoog is freelance wetenschapsjournalist.
Profiel-pagina
Nog geen reactie — begin de discussie!