Opgejaagd door commerciële belangen maken journalisten zich te weinig druk om kwaliteit, betoogt Hans Izaak Kriek. Om zich te weer te stellen tegen die verleidingen zouden journalisten zich verplicht moeten laten bijscholen.

Het journalistieke werk laat mij nog steeds niet los. Het begon lang geleden als een jongensdroom. Ik wilde mijn nieuwsgierigheid bevredigen en dat wat ik te weten kwam, over allerlei onderwerpen, met anderen delen. Op een degelijke en serieuze manier. Nu nog steeds kijk ik, als voormalig politiek (sociaal-economisch) verslaggever voor onder meer Tros Aktua/ Tros Kamerbreed, met een kritisch blik naar wat vooral politiek journalisten doen.

En ik weet dat ik vooral niet moet zeggen dat het toen (1970-1995) veel beter, mooier en interessanter was. Nee, niet doen dus. Maar wel lezen, luisteren en kijken hoe anders het nu is. Ik heb een jaar lang (2012-2013) de hoofdrolspelers in de Tweede Kamer geobserveerd. Ik heb met meer dan dertig politici, journalisten, voorlichters en spindoctors gesproken over hoe er nu met elkaar wordt omgesprongen. Mijn interviews, waarnemingen en opvattingen staan in het boek De Patatbalie’, dat afgelopen jaar is gepubliceerd. Een van die opvattingen die ik belangrijk vind is dat het vak van journalist een heel serieus vak is met verantwoordelijkheden.

De politiek als theater

De journalistiek heeft een duidelijke maatschappelijke functie en wordt in Nederland vaak gezien als een vierde macht in onze democratische staat, naast de wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht (trias politica). Ik beperk me hier tot de parlementaire journalistiek, waar ik zelf jarenlang deel van heb uitgemaakt. Wat ik vanaf 2012 bij de Tweede Kamer heb waargenomen en wat ik daarvan later terugzag in de media maakte mij behoorlijk ongerust. De moordende concurrentiestrijd om het nieuws, het bijna dagelijks lekken van informatie naar de pers, de onderhandelingsjournalistiek, het wheelen en dealen. Politiek is handel, politiek is business, politiek is spektakel, politiek is theater.

Hoe zou het werkelijk moeten zijn? De journalist vraagt, de politicus antwoordt. De journalist vraagt door, de politicus legt uit. Klip-en-klaar, zonder schroom, zonder verborgen agenda, zonder stiekeme belangen, zonder economische motieven, zonder de zucht naar sensatie, scoren en extra verkoop. De journalist vraagt door. Ter controle van de politiek. Ter lering van het volk. Tot dat alles duidelijk is en iedereen op de hoogte is. Zo zou het volgens mij moeten zijn, maar zo is het, zo moet ik constateren, natuurlijk niet.

Media en politici hebben elkaar nodig

In een ideale, utopische wereld zijn de media de controleurs van de politiek, maar in de alledaagse werkelijkheid zijn de media en de politiek verstrengeld in een innige afhankelijkheidsrelatie en voor eens en altijd tot elkaar veroordeeld. De politiek kan niet zonder de welwillendheid van de media en die kunnen op hun beurt niet zonder een goede relatie met de politiek.

Politici willen hun beleid en visie uitleggen en kiezers voor zich winnen. Om ervoor te zorgen dat hun geluid goed en door zo veel mogelijk mensen gehoord wordt, hebben ze doorgeefluiken nodig. Politici zijn afhankelijk van de media om hun verhaal te kunnen vertellen. Ze moeten concurreren met ander nieuws en met andere verhalen om een plekje op internet, op de voorpagina, in het achtuur journaal, op de radio of, beter nog, live in een talkshow. Politici hebben de media nodig om te overleven.

Maar andersom geldt hetzelfde. De media hebben politi­ci nodig om nieuws te kunnen verkopen. Zonder nieuws, zonder spannende verhalen, zonder sensatie, spektakel en scoops zijn er geen lezers, luisteraars en kijkers, dus geen advertentie­inkomsten. Dus geen bestaansrecht.

De politiek kan niet zonder de aandacht van de media en de media kunnen niet zonder de politiek. En daarom is politiek maar al te vaak het resultaat van onderhande­ling en handjeklap. ‘Ik wil best in jouw programma om te praten over de energiecrisis, maar alleen als je me ook vraagt om iets te zeggen over ons nieuwe verkiezings­programma. Anders kom ik niet.’

Duistere processen

Deze innige verstrengeling tussen media en politiek is echter voor het grote publiek, de nieuwsconsumenten, onzichtbaar. Naar de buitenwereld toe wordt het Haagse nieuws gepresenteerd als neutraal, compleet en objec­tief, terwijl het volstrekt onduidelijk is welke processen (selecties, onderhandelingen, afspraken) aan het maken van het nieuws vooraf zijn gegaan. Zo blijft het duister op welke manier de inhoud van het politieke nieuws wordt bepaald en op welke manier het tot stand komt.

Er heerst een moordende concurrentiestrijd in de Haagse kaasstolp om het nieuws. Wie brengt als eerste een nieuwtje of een primeur? Wie heeft als eerste een uitgelekte brief of e-­mail? Gaat het nog om de inhoud van het nieuws of alleen om het als eerste te brengen? Worden er nog wel bronnen gecheckt of zijn anonieme bronnen voldoende? Wordt er nog wel hoor en we­derhoor toegepast? Hoe zeker is een journalist van de feiten?

Niet interessant. Scoren, scoren, kijk mij eens, kijk ons eens. Dat is het tegenwoordige journalistieke handwerk in Den Haag. Zaken doen met politiek assistenten en spindoctors, de figuren achter de politici die invloed uitoefenen op de journalist.

Spektakel en toneelstukjes

Gevolg van deze ontwikkeling is, dat journalisten in hun nieuwsvoorziening steeds meer inzoomen op het drama, het conflict, het persoonlijke, de emotie, op problemen en op het negatieve. Media zorgen door incidenten uit te vergroten voor hypes, waardoor beleidskeuzes soms eerder gebaseerd lijken te zijn op beelden in de media dan op feitelijkheden. Bijvoorbeeld als het gaat om relschoppers, mishandeling van gehandicapten in tehuizen of ontsnappingen van tbs’ers.

Politici passen zich op voorhand al snel aan die media­logica aan door heftige statements en prikkelende tweets de wereld in te sturen. Zij weten inmiddels dat dit de manier is om media-­aandacht te krijgen, ze zijn in feite veroordeeld tot de medialogica.

In een programma als Pauw & Witteman (programma is inmiddels opgeheven) krijgen ze ongeveer acht minuten gesprekstijd tegenover een opponent of slachtoffer en bij lijsttrekkersdebatten op radio en televisie moeten ze op vaak suggestieve stellingen tegenover hun tegenstander(s) reageren. Spektakel en toneelstukjes waar mensen weinig mee kunnen en hun schouders over ophalen. Politici en journalisten roepen ondertussen om het hardst dat het om de inhoud moet gaan en niet om
 de vorm.

Redacteuren en programmamakers zouden nieuwe of andere formats moeten bedenken met meer diepgang om de lezers, luisteraars en kijkers te bereiken. Meer tijd voor bijvoorbeeld onderzoeksjournalistiek. Meer aandacht voor de problemen die de samenleving echt bezighouden. Het moet meer om de inhoud gaan. Maar ook hier, onder druk van commerciële belangen, advertentie-inkomsten en kijkcijfers, staan redacties en daarmee de kwaliteit onder druk. Diepgang is weg- bezuinigd met alle gevolgen van dien.

Punten halen

De journalistiek is een vrij beroep. Het staat voor iedereen open, ongeacht of hij of zij een professionele opleiding of training voor het vak heeft gehad en ongeacht 
of degene met zijn activiteiten een inkomen verdient.

Zo worden er talloze vrije beroepen uitgeoefend, onder meer door advocaten, accountants, notarissen, piloten en artsen. En zij zijn in de regel gebonden aan de code van een beroepsvereniging en aan tuchtrecht. Veel van die vrije beroepsbeoefenaren zijn verplicht punten te halen en bijscholingscursussen te volgen, onder het motto onderhoud van vakbekwaamheid. Zo is een advocaat verplicht jaarlijks aantoonbaar zijn professionele kennis en kunde te onderhouden en te ontwikkelen. Om aan die verplichting te voldoen moet een advocaat elk jaar een bepaald aantal punten halen.

Ik wil de discussie wel eens aanzwengelen of dit ook voor professionele journalisten zou kunnen gelden. Waarom niet? Het gaat tenslotte om de kwaliteit van de journalistiek en de professionaliteit van de berichtgeving. Zou een journalist verplicht moeten worden, jaarlijks aantoonbaar, zijn professionele kennis en kunde
te onderhouden en te ontwikkelen op gebieden waarop hij werkzaam is of wil zijn? Jaarlijks zou een journalist ook een aantal punten moeten halen om dit te kunnen bevestigen.

Verplichte bijscholing

Misschien een idee voor de NVJ, de Raad voor de Journalistiek en het Genootschap van Hoofdredacteuren om dit eens te onderzoeken en uit te werken. De media zijn immers volop in beweging en verandering. Professionele media zouden uitsluitend moeten willen werken met journalisten die geregistreerd staan in een beroepsregister van bijvoorbeeld de NVJ. Deze organisatie zou vervolgens journalisten de verplichting kunnen opleggen voor een her-, bij- en omscholing om vakbekwaam te blijven. 
Dit kan door het volgen van cursussen en het bijwonen van congressen.

Er zijn onderwerpen genoeg: digitalisering in de media, het gebruik van sociale media, interviewtechnieken, veranderingen in het medialandschap, mediatraining, omgaan met kritiek en zelfregulering.

Welk probleem lossen we met bijscholen op? Meer kennis en kunde over je vakgebied en de manier van werken. Verbetering van de professionaliteit. Meer toekomstgericht werken en aanpassen op verdere ontwikkelingen in de media. Kijken naar het eigen werk: ‘doe 
ik het wel zoals het hoort’. Weer zorgvuldig en gedegen werken. Betrouwbaar en integer te werk gaan. Journalistiek is in mijn ogen werken zoals het hoort, bronnen en feiten checken, hoor en wederhoor toepassen en dan de consument informeren en ook verantwoording afleggen.

Kwaliteitseisen voor professionele journalisten

Logische vervolgvraag: ‘moet het beroep van journalisten worden gereguleerd?’ Waarom niet? De NVJ zou als beroepsvereniging kwaliteitseisen kunnen vaststellen en kwaliteitscontrole kunnen uitoefenen. Als de beroepsbeoefenaren zich niet aan de regels houden, kunnen zij uit de beroepsvereniging worden gezet.

Als mijn buurman morgen zegt journalist te zijn, schrijft de NVJ hem dan in als lid? In mijn idee wordt het beroep van journalist enorm gedevalueerd omdat iedereen zich tegenwoordig journalist kan en mag noemen. Hebben journalisten dan geen eergevoel meer? Moeten professionele journalisten concurreren met beunhazen?

Open en transparant

Journalisten kunnen de waardering van het publiek terugkrijgen door de nieuwsconsument inzicht te
 geven in de journalistieke procedures. Door te vertellen waarom ze doen wat ze doen, welke afweging ze maken voor het publiceren van een verhaal en welke bronnen 
ze waarom hebben gebruikt. Open en transparant communiceren met hun lezers, luisteraars en kijkers.

Het is toch van de gekke dat journalisten niet tegen kritiek kunnen op de manier waarop ze hun werk als professional doen. Een verandering in denken en doen in journalistiek en politiek Den Haag. De kaasstolp mag verdwijnen, wat mij betreft.

Dit artikel verscheen eerder in Villamedia Magazine.

Al 6 reacties — discussieer mee!