Hans Laroes deed onderzoek naar de staat van de regionale journalistiek. Die is zorgwekkend, was zijn constatering. Herkenbaar, zeiden sommigen. Maar hij oogste ook kritiek. Jammer, meent Laroes, want ontkennen dat er iets aan de hand is, brengt de journalistiek alleen maar verder in de problemen.

Natuurlijk wist ik het van te voren.

Als je over de journalistiek schrijft en daarbij stelt dat het niet goed genoeg gaat, dan is een deel van de collega’s beledigd, op de ziel getapt, kwaad.

Onvermijdelijk.

In ons vak is de neiging tot zelfreflectie niet groot.

We beschouwen het als onze taak iedereen de maat te nemen. Iedereen die macht en gezag vertegenwoordigt.

Dat is goed.

Verkeerde reactie

Maar stevige interne kritiek kennen we eigenlijk niet. Stevige mediakritiek-van-buiten bestaat eigenlijk niet.

En we hebben altijd een deadline: die van over een paar minuten, van de volgende dag of van de volgende week. Tijd om aan het werk te gaan.

Ik ken de reflex, het ‘waar bemoei je je mee’? Ik deed het zelf ook vaak, in mijn tijd bij de NOS.

Toch is het de verkeerde reactie. Je kunt je eigen werk, je vak, de betekenis van je vak, alleen verbeteren als je open bent voor kritiek.

Het ging dus over de waakhondfuctie, van vooral de regionale journalistiek, waarover ik me grote zorgen maak. Yournalism (de nieuwe journalistieke crowdfundingssite) deed er onderzoek naar.

De voorpagina van Vonk over de staat van de regiojournalistiek.
De voorpagina van Vonk over de staat van de regiojournalistiek.

Ik schreef parallel mijn analyse. Die werd in verkorte vorm in ‘Vonk’, bijlage van de Volkskrant gepubliceerd. De crowdfunders die mijn verhaal mogelijk hadden gemaakt kregen een uitgebreide versie. Daarnaast schreef ik een verhaal over toekomstige ontwikkelingen die me hoopvol stemmen, dat werd gedeeld via Twitter en naar de crowdfunders ging.

[Zie de website van Yournalism voor de genoemde artikelen: Wat is de staat van de Nederlandse journalistiek?]

Er was veel instemming, via de mail en via Twitter. En een aantal boze reacties en commentaren.

Een regionaal journalist schreef over zijn tijd bij een regionale krant:

Het was een nachtmerrie. Waar ik in (…) creatief, kritisch en alert diende te zijn, omdat (…) nu eenmaal landelijk concurreerde, kwam ik bij de (…) terecht in een sterfhuis. Alleen het pand al. De redactievloer zou je met gevoel voor romantiek nostalgisch kunnen noemen, maar de waarheid was dat dat een anachronisme was. Het (…) had ook bezuinigd. Zo werden vormgevers journalisten, redactiesecretaresses gingen de eindredactie doen, interviews gingen telefonisch en in het weekeinde werden vrij lopende VMBO’ers met schrijfambities naar klussen gestuurd, meestal weekendmarkten.

Dus ging het nog slechter.

Lezers holden weg, de hoofdredactie had geen idee hoe je moest moderniseren, vond geen aansluiting op de digitale snelweg en zo werd het van kwaad tot erger.

Je zou kunnen denken: rancune van een enkeling? Henk de Kat, de gepensioneerd journalist uit Delft die in mijn verhaal prominent voorkwam, werd in een enkele reactie ‘querulant’ genoemd. Maar dat is te simpel: er zijn te veel reacties die zijn opvattingen (en de mijne) ondersteunen.

Herkenbaar beeld

Een journalist uit een regio waar nog wel flink aan de weg wordt getimmerd, zei:

“Bij ons doen we nog zowat iedere raadvergadering en commissievergadering, maar je algemene beeld, dat herken ik wel.”

Een voormalig topman van een van de regionale kranten, liet weten dat hij de afhoudende reacties wel kon plaatsen. Je werkt keihard, je doet je best, en dat kun je het niet hebben dat een waarnemer van buiten langskomt en ziet dat je schip eigenlijk aan het zinken is.

Ik herken het helemaal, zei een ex-hoofdredacteur.

Bij ons gaat het nog wel goed.
Dat schreef Ton Rooms van het Brabants Dagblad (EenVandaag wijdde een deel van de uitzending aan zijn en mijn opvattingen, op zaterdag 28 februari).
Ik durf te stellen, zegt Rooms, dat in onze regio geen gemeenteraad bijeenkomt zónder aanwezigheid van een van onze verslaggevers.
Mijn reactie: prima toch? Houden zo, minstens.

Mijn stelling was en is niet dat regionale journalistiek nergens meer bestaat – of nergens meer goed is – maar dat het zorgwekkend is dat er steeds meer witte vlekken ontstaan waar niet meer aan echte journalistiek wordt gedaan.

Langjarige uitholling

Er zijn nog goeie regionale kranten. Er wordt hard gewerkt. Maar het gaat mij om de langjarige ontwikkelingen, waardoor de journalistiek op te veel plekken aan relevantie heeft verloren. Zeggen ‘bij ons gaat het goed’, kan als eerste reactie logisch zijn, het valt samen met ‘maar op heel veel andere plekken niet’. En het gaat voorbij aan de reorganisaties die ook op de plekken waar kranten nog bestaan, een deel van de journalistiek hebben uitgehold.

Onzin, om het volgen van gemeenteraden als criterium te hanteren.

Sommigen vinden mij ouderwets. Gemeenteraden? Daar gebeurt het toch allang niet meer? Er zijn andere manieren om de regio te verslaan.

Dat laatste klopt: als je een regio volgt, dan doe je inderdaad veel meer. Je interviewt, je schrijft reportages, je analyseert en becommentarieert, je heb het over winkelsluitingen en bedrijfsvestigingen. Alles.

Maar hoe je het ook wendt of keert, een gemeente neemt een groot aantal beslissingen die de inwoners raken. De gemeenteraad komt aan het eind van dit traject, dus het gaat vooral ook om al die beslissingen en standpunten die al veel eerder worden (in)genomen, zoals Roger Vleugels in mijn verhaal uitlegt.

Gemeenten hebben een behoorlijke taakverzwaring gekregen en verdelen miljarden (nu de zorg is overgeheveld); dat zou gepaard moeten gaan met een stevige journalistieke inspanning. Over het hele land.

Het is juist dat het alleen volgen van een gemeenteraad niet voldoende is om een regio te verslaan. Maar een gemeenteraad niet of nogal hap-snap-gewijs volgen is in ieder geval geen goede, eigentijdse journalistiek. Het is alsof je op landelijk niveau zegt: ik weet heus wel hoe Nederland in elkaar zit; daarvoor hoef ik de ministeries en het parlement echt niet langer te volgen.

Voor mij is het niet goed volgen van de gemeente een indicatie, een illustratie van mijn stelling. Net als het zeer beperkte beroep op de Wet openbaarheid van bestuur. Net als het gegeven dat journalistieke producties bijna nooit leiden tot politieke opwinding op de agenda van de gemeenteraad.

Illustraties dus van de problematiek die ik beschrijf: voor te veel mensen géén nieuws van dichtbij. NoNewsInMyBackyard. Voor anderen: verlies aan rol en relevantie.

AD is boos

De mensen van het AD vonden het niet prettig dat ik Delft, waar zij met een regiokatern verschijnen, als uitgangspunt nam. Zij vinden dat ik hen had moeten spreken, in het kader van hoor en wederhoor.

Mijn stelling is dat dit voor een analyse als deze niet nodig is. Ze worden nergens van beschuldigd. Wat ze maken en niet maken is te lezen in hun krant, en het verhaal gaat niet (in hoofdzaak) over het AD maar over de regionale journalistiek.

Daarboven vindt het AD dat ik als voorzitter van de Raad voor de Journalistiek (want dat ben ik in mijn vrije tijd) geen standpunten mag innemen. Ik ben het daar niet mee eens. Debat brengt ons vak verder (overigens houd ik me als voorzitter van de Raad niet bezig met individuele zaken en de opvattingen van de Raad daarover, juist om het debat zuiver te kunne blijven voeren).

Columniste Sheila Sitalsing schreef recent, in een column in de Volkskrant:

“… de journalistiek is uit Delft verdwenen. Wat er nog aan pers rest is gemarginaliseerd (de anderhalfkoppige sectie Delft in het AD doet manmoedig zijn best), veelal gecommercialiseerd, soms in handen van welwillende amateurs met nauwelijks middelen tot hun beschikking.”

Corruptie-onderzoekster Willeke Slingerland zei maandag 2 maart:

“Op de rekenkamers is bezuinigd en de lokale pers is in veel gemeenten weg. Dat is het verschil met de nationale politiek – daar is veel meer toezicht door media en andere organisaties.”

Daar gaat het dus om: niet om journalisten die nog steeds hard werken (en misschien wel meer productiedruk kennen dan vroeger). Het gaat om de langere termijntrend: het langdurig eb dat de journalistiek doet terugtrekken, op te veel plekken. Heel veel journalisten, heel veel raadsleden, heel veel anderen onderkennen dat.

Eigen verhalen maken

Er is nu meer research dan vroeger, hoor je wel eens.

Ik waag het te betwijfelen.

Ik ken een aantal kranten van heel dichtbij, omdat ik er werkte. Daar werden in de jaren zeventig en tachtig toch echt veel eigen verhalen, analyses, commentaren, achtergrondenverhalen, etc. gepubliceerd – vaak vanuit een bij die tijd horende kritischer houding. Het vermogen om eigen verhalen te maken was simpelweg groter.

Niet alles was beter toen. Er heeft een professionaliseringsslag plaatsgevonden. Regionale kranten wilden vaak te zeer landelijke krant spelen. Maar het ontbrak niet aan de belangrijke, regionaal geïnspireerde eigen verhalen. Het was zeker niet alleen maar verslaggeving, zonder analyse, diepgang, onderzoek. Dat is echt een misvatting bij bijvoorbeeld Frank Poorthuis, adjunct-hoofdredacteur van het AD.

Cultuur en structuur

Het is jammer dat in reacties voorbij wordt gegaan aan opmerkingen die Kees Buijs maakte (gepromoveerd op ‘Regiojournalistiek in spagaat: de kwaliteit van het redactieproces in de regionale journalistiek – een case-study’) over de cultuur van en de structuur op redacties.

Want daar zit de wezenlijke beperking, de rem op verandering. Zo stonden zijn woorden in mijn verhaal, en ik herhaal ze hier omdat het belangrijk is:

“Structuur: de meesten denken nog in kranten, in papier, in het dagelijkse nieuwsproces dat geheel in het teken staat van het industriële ritme van paginaproductie en lege vakken vullen. De krant moet dicht.”

“De krant is wat er echt toe doet. Overigens ook bij de Volkskrant hoor, of het Financieele Dagblad.”

“Ze doen de website erbij, het mobiele nieuws, want dat moet tegenwoordig. Ze noemen het digital first, misschien, maar het DNA is nog het DNA van de krant. Terwijl de krant als nieuwsorganisatie alleen maar lijkt te kunnen overleven als hij zich durft voor te stellen dat hij straks niet meer op papier bestaat.”

“Bij mijn eigen De Gelderlander”, zegt Kees Buijs, “zijn ze een jaar geleden een digidesk begonnen. Die zit 20 meter van de redactie Groot-Nijmegen. En hoe communiceren ze? Via de mail vooral.
Stand alone, vat Buijs kort samen.”

Het kan anders

Buijs, De Kat en ik, we zij niet de enigen.

Kort voordat mijn verhaal in Vonk verscheen, kwam het Stimuleringsfons voor de Journalistiek met een vergelijkbaar onderzoek. Met vergelijkbare conclusies.

In Leeuwarden vroeg burgemeester Crone zich af of er niet 1 euro per inwoner zou moeten naar betere informatievoorziening.

In Limburg is een miljoen vrijgemaakt voor dit soort initiatieven.

Het moet, vind ik, echt anders. Dat kan ook – hoop ik, denk ik.

Maar dan helpt het niet om te ontkennen dat er iets aan de hand is, zelf al ben je er van overtuigd dat je het zelf nog heel goed doet. Dan kijk je door een rietje naar je zo belangrijke vak.

Al 3 reacties — discussieer mee!