Het gaat niet al te best met de kunstkritiek in Nederland: kunsttijdschriften zijn noodlijdend, kranten beknibbelen op hun kunstredacties en de publieke omroep moet flink bezuinigen. In het overheidsbeleid speelt kunstkritiek geen enkele rol. Terwijl dat nu juist een speerpunt zou moeten zijn, volgens Steven ten Thije.

Begin maart bracht de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid de verkenning uit: Cultuur herwaarderen. Het rapport constateert dat in de laatste jaren economische en sociale doelstellingen zwaarder zijn gaan wegen in het toekennen van subsidie en dat daarmee ‘het culturele’ naar de achtergrond is geraakt. De analyse is door het veld positief ontvangen en ook NRC schreef er welwillend over.

De oproep om cultuur weer centraal te zetten in het cultuurbeleid raakt een gevoelige snaar. De minister speelde namelijk onlangs zeven miljoen vrij voor een nieuw programma: The Art of Impact. Dit programma ondersteunt juist kunstprojecten die een directe relatie aangaan met zaken die buiten het klassieke bereik van de kunst liggen.

Het speelveld voor het debat over de volgende subsidieperiode lijkt daarmee bepaald: moet het cultuurbeleid terug naar de basis en zich voornamelijk richten op de kunst zelf, of is het raadzaam om uitgebreide randvoorwaarden te formuleren? Helaas laten beide opties de grootste uitdaging links liggen: de gebrekkige aandacht voor kunstkritiek of kunstreceptie in het cultuurbeleid.

Tegenstrijdigheden

Nu de geesteswetenschappen in verschillende universiteiten onder vuur liggen, de kunsttijdschriften uit de fondsen zijn gegooid, de kranten – vooral de regionale – hun kunstredacties drastisch hebben gekort, en nog afgezien van een algehele bezuiniging op de publieke omroep, is het receptieklimaat de zwakste schakel in de kunstketen. De gebrekkige aandacht voor kunstreceptie tekent zich af in tegenstrijdige statistieken als het gaat om de waardering van kunst in Nederland.

Jaarlijks vinden bijvoorbeeld in een land met een kleine 17 miljoen inwoners ruim 20 miljoen museumbezoeken plaats. Daar zitten natuurlijk toeristen tussen en er zijn hoogopgeleide veelgebruikers, maar dan nog is de algehele betrokkenheid bij musea groot.

Toch was het beeld dat in 2010 tijdens de bezuinigingsronde van Rutte I domineerde het beeld van een marginale club kunstkornuiten die vooral met zichzelf bezig was. De omvang van de kunstproductie en wat gepresenteerd en getoond werd, stond in geen vergelijk met de aanwezigheid van die productie in onze mediawereld. Voor nog niet 1% van het BBP gaat een enorm segment van de Nederlandse bevolking naar musea, theaters en concertzalen, maar het beeld dat overblijft is dat van een wezensvreemde elite in een hoekje van de krant.

Historie van cultuurbeleid

Wie wil begrijpen waarom kunstkritiek geen volwaardige plek in het cultuurbeleid heeft, moet niet zoeken naar politieke ideologie, maar in het verleden. Na de Tweede Wereldoorlog ontstond in Nederland eigenlijk voor het eerst een werkelijk ambitieus cultuurbeleid, dat als doel had om zoveel mogelijk mensen in aanraking te laten komen met kwalitatief hoogstaande kunst.

Dit klassieke verheffingsbeleid had daarbij niet alleen sociaaldemocratische wortels, maar werd ook geopolitiek ondersteund. In de woorden van minister Joseph Cals in 1950, was ‘het morele bewapenen van de bevolking tegen het communisme’ even belangrijk als defensie.

In de praktijk resulteerde dit in een bevlogen project om cultuurparticipatie te vergroten, waarbij kwaliteit gewaarborgd diende te worden. Het leverde een fenomenaal resultaat op. Nemen we nogmaals de musea als voorbeeld. De 20 miljoen bezoeken jaarlijks van vandaag zijn op zich imposant, het is helemaal indrukwekkend als je ze afzet tegen 2,5 miljoen bezoeken in 1950, toen het land nog maar 10 miljoen inwoners telde. Zet daar ook nog de algehele toename in opleidingsniveau naast en je kunt niet anders dan concluderen dat de cultuurparticipatie in de Nederlandse samenleving astronomisch is toegenomen.

Publieksbereik

De vraag die we ons dus eigenlijk moeten stellen is: wat doen we als eerdere doelstellingen grotendeels zijn gehaald? Natuurlijk is het nog steeds van belang om een grotere en vooral diverse groep mensen te betrekken bij de cultuurproductie en presentatie, maar het laten groeien van het publiek zou niet dezelfde prioriteit moeten hebben als in de jaren vijftig. Traditioneel lag de nadruk in het cultuurbeleid op publieksbereik, maar nu daar zulke successen zijn gehaald kunnen we daar niet blijven steken. Net als bij leren lopen: je moet eerst leren staan, en zonder kunstervaring is kunstreceptie erg moeilijk.

Maar nu we wel in groten getale gebruik maken van onze culturele infrastructuur moeten we niet blijven hangen in ‘leren staan’. In plaats daarvan is Nederland klaar voor een kwaliteitsslag, niet zozeer in het nog verder bestendigen van de kwaliteit van de cultuurproductie, maar in het zorgen dat er een optimaal klimaat bestaat waarin het publieke belang van kunst kan floreren.

Oude tuin, nieuwe tuin

Het WRR-rapport Cultuur Herwaarderen is hiervoor te voorzichtig en richt zich, zoals de titel aangeeft, op een terugkeer naar het klassieke cultuurbeleid waarin kwaliteit en publieksparticipatie de basis zijn. The Art of Impact neemt een vlucht naar voren door te kijken wat voor kruisbestuiving er mogelijk is tussen kunst en andere maatschappelijke gebieden, maar loopt het risico om kunst te instrumentaliseren en zo de baby in het badwater te verdrinken.

Wil dit werken dan moet heel duidelijk zijn hoe kunst buiten haar eigen terrein kan werken en nog steeds kunst kan blijven. Het is zeker interessant om te onderzoeken, maar onder huidige omstandigheden zou het niet deze prioriteit moeten hebben. Belangrijker is om te kijken hoe de resultaten uit het verleden verzilverd kunnen worden. De bestaande tuin moet onderhouden worden en doorontwikkeld; The Art of Impact is het opzetten van een nieuwe tuin en brengt het risico met zich mee dat de oude tuin verder verwaarloosd wordt.

Om kunst tot haar recht te laten komen moeten we daarom niet meteen beginnen met een nieuw experiment, maar eerst basale vragen opnieuw stellen en proberen te achterhalen hoe kunst bijdraagt aan die samenleving. Hoewel elke samenleving, totalitair of democratisch, haar eigen esthetische productie kent, heeft kunst in een democratische samenleving een specifieke functie, die paradoxaal genoeg aan haar autonomie verbonden is.

Vrije kunst

Binnen de Europese traditie lopen de opkomst van een vrije of autonome kunst en een democratische samenleving gelijk met elkaar op. Dit is niet toevallig. Vrije kunst beantwoordt aan een structurele behoefte van een democratische samenleving.

De basis van een democratie is de vaardigheid van de burgers om zichzelf uit te drukken en om open te staan voor de argumenten en gevoelens van anderen. Dit vraagt om zowel expressie als empathie, en beide spelen een grote rol in vrije kunst. Bij het beleven van kunst worden we uitgenodigd om voor korte tijd ons over te geven aan onze ervaring zonder dat van tevoren vast staat wat de betekenis is. We kunnen zelf speculeren, proberen om iets ongrijpbaars te begrijpen door er met andere over te praten.

De relatie tussen een toeschouwer en een kunstwerk spiegelt daarmee structureel de relatie tussen burgers in een democratische samenleving. Net zoals we ons openstellen voor het werk om het te beoordelen, moeten we ons durven openstellen voor elkaar vooraleer te oordelen. Een levendige omgang met kunst, waarbij mensen kunst maken, ondergaan en beoordelen, sterkt een democratische samenleving.

Scheefgroei

Bekijk je vanuit dit perspectief het cultuurbeleid dan wordt duidelijk waarom de gebrekkige aandacht voor kunstreceptie zo problematisch is. Kunst scherpt de blik alleen als je ook de vaardigheid hebt om die indrukken te delen en te wegen. De beleving van het kunstwerk is het begin, maar er daarna over kunnen praten is van even groot belang.

Ondersteun je, zoals nu gebeurt, met name de productie en presentatie van kunst, dan stimuleer je een systematische scheefgroei in het systeem, waarbij het verwoorden van de kunstervaring achter gaat lopen op de rest. Wil je het succes van het cultuurbeleid van de afgelopen halve eeuw oogsten dan moet je die scheefgroei durven tegen te gaan.

Het is politiek ongetwijfeld niet zeer sexy, maar de werkelijke uitdaging zit in het verder durven lopen op de ingeslagen weg. Het is lastig, omdat er geen precedent uit het verleden is dat herhaald kan worden. In de moderne geschiedenis van Nederland hebben nog nooit zo veel mensen zo lang gebruik gemaakt van een publieke, culturele infrastructuur. Er zijn nog nooit zoveel goedopgeleide en mondige burgers geweest die in de basis over alle vaardigheden beschikken om zich met kunst te engageren.

Maar we lopen daarmee ook dubbel achter, aangezien de praktijk van receptie al jaren structureel minder aandacht krijgt dan productie en presentatie van kunst. Er is nu een neiging om dit gebrek op te vangen met goede kunstmarketing, maar goede marketing is niet hetzelfde als goede receptie.

Bescherming

Wil je als minister hier werk van maken, dan moet je durven pionieren en breed durven zaaien. Zeker ook nu in het algemeen de hele structuur van het publieke domein sterk verandert met de dominante rol van het internet, waardoor klassieke structuren als krant en televisie onder druk staan.

Een kleine stap in de goede richting zou zijn om de kleine kweekvijver voor kunstkritisch talent die we nu hebben – de geesteswetenschappen – in elk geval te beschermen. Maar daar zou het niet bij moeten blijven. Het zou het begin moeten zijn van een tweede en even glorieus als ambitieus hoofdstuk in de naoorlogse geschiedenis van het Nederlands cultuurbeleid.

__________

609-witDit artikel is afkomstig uit 609, het blad van het Mediafonds.

Wie alle artikelen van de nieuwste editie van het blad wil lezen: een pdf van 609 is te vinden op de website van het Mediafonds.nl.

Al 3 reacties — discussieer mee!