Huub Evers, media-ethicus en lid van de Raad voor de Journalistiek, is in het jaarverslag van diezelfde Raad gedoken. Vandaag bespreekt hij een aantal opvallende zaken van het afgelopen jaar. Zoals de zaak van de journalist die wederhoor via Twitter probeerde te regelen.

Oeps, vergeten de website te noemen

Opmerkelijk was een klacht tegen de redactie van het EO-programma 3Onderzoekt. Klager was hier namelijk niet een ontevreden nieuwsconsument, maar een onderzoeker die had meegewerkt aan de uitzending “Is mijn opa een oorlogsmisdadiger?”. Hij had naar eigen zeggen veel tijd geïnvesteerd in de research voor deze uitzending. Hem was toegezegd dat in de uitzending naar zijn website verwezen zou worden, maar door een communicatiefout was dat niet gebeurd.

De eindredacteur van het programma wilde wel alsnog naar de website verwijzen, maar zag daarvan af toen hij zag dat op die website de correspondentie tussen onderzoeker en EO was geplaatst. Bovendien lichtte klager daar uitvoerig zijn grieven tegen de gang van zaken toe.

De Raad was met klager eens dat de gemaakte afspraak niet was nagekomen en dat in dit opzicht sprake was van onzorgvuldig handelen. Daarna had klager de afhandeling zelf verder gecompliceerd door zijn grieven al op de website te plaatsen. Daardoor werd het de EO moeilijk gemaakt nog op de wens van klager in te gaan. De Raad had begrip voor dat standpunt.

Lees de uitspraak hier.

Ik wil niet geanonimiseerd in de krant!

In een klacht tegen Twentsche Courant Tubantia was opvallend dat de krant volgens klaagster haar privacy niet te weinig maar te veel had beschermd! Ze werd in het artikel met voornaam aangeduid en op een foto onherkenbaar afgebeeld. Klaagster, een ondernemer, vond dat bij de foto’s haar Twitteraccount vermeld had moeten worden. Verder was ze ongelukkig met de kop boven het verhaal: “Patiënte vecht tegen dwangopname”. Ze vond die kop stigmatiserend en schadelijk voor haar reputatie als ondernemer.

De redactie meende haar te moeten anonimiseren, hoewel ze dat zelf niet op prijs stelde. In een artikel over gedwongen opnames en de impact daarvan op de betrokkenen en hun directe omgeving past terughoudendheid. Dus werden, ook naar het oordeel van de Raad, haar persoonlijke gegevens terecht geanonimiseerd en werd ze op foto’s onherkenbaar afgebeeld.

Lees de uitspraak hier.

Ik wil rectificatie!

Omroep Brabant zond in augustus 2014 een reportage uit over de vondst van een wapenarsenaal in een dorp in West-Brabant. De verslaggeefster maakte de reportage vanuit het dorp en meldde dat volgens omwonenden twee huizen waren doorzocht. In een van de huizen, dat van klaagster, werd niets gevonden, maar dat vermeldde de journaliste niet. Later werd dat wel toegevoegd aan de tekst hierover op de website.

De klaagster vond dat onzorgvuldig werd bericht over de wapenvondst en dat ten onrechte werd gesuggereerd dat ook in haar huis wapens waren gevonden. Ze stelde dat ze in haar omgeving veel last had gehad van de suggestieve reportage. Door de invloed van sociale media heeft dergelijke berichtgeving een grote impact. Dat brengt met zich mee dat een rectificatie nu meer aan de orde is dan vroeger.

De journaliste bood excuses aan, het bericht op de website werd aangepast en het radiofragment van de site verwijderd. Klaagster vond dat niet voldoende, want een aangepast stuk wordt na verloop van bijna een week door niemand meer gelezen. Daarom had de omroep de fout volgens haar publiekelijk moeten toegeven en een rectificatie op de website moeten plaatsen.

Ook de Raad vond de reportage niet zorgvuldig. Daarom had een passende rechtzetting gepubliceerd moeten worden.

Lees de uitspraak hier.

Later sprak ook de rechter zich hierover uit. Het Hof in Den Bosch vond dat de eer en goede naam van klaagster waren aangetast door de suggestieve berichtgeving. Het Hof stelde zich in zijn oordeel gesterkt te voelen door de conclusie van de Raad voor de Journalistiek dat er sprake was van journalistiek onzorgvuldig handelen. Dat Omroep Brabant niet op de klacht bij de Raad wilde reageren en evenmin van plan was om gevolg te geven aan het verzoek van de Raad om te rectificeren, beviel de rechter niet. Hij concludeerde “dat Omroep Brabant enige prikkel nodig heeft om tot rectificatie over te gaan” en verplichtte de omroep om gedurende zes dagen een door de rechter geformuleerde rectificatie op de website te plaatsen (5).

Lees de uitspraak van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch hier.

We kregen hem echt niet aan de lijn!

Dagblad van het Noorden had in september 2012 een artikel onder de kop “Stammenstrijd verdeelt Somaliërs”. In het artikel werd klager, de penningmeester van de Stichting Somaliërs Groningen, beschuldigd van fraude en van het bevoordelen van stamgenoten. Bovendien werd hij met naam en toenaam genoemd in het artikel dat naar zijn zeggen eenzijdig, rancuneus en onjuist was. Hij vond dat de krant te weinig moeite gedaan had om de geruchten en de beschuldigingen te controleren. Bovendien waren de beschuldigingen afkomstig van maar één bron en ging het bovendien om iemand met wie hij een conflict had. De krant had wederhoor moeten toepassen.

Na publicatie van dit artikel stuurde een groep Somalische ouderen een ingezonden brief waarin de onjuistheden werden gesignaleerd. Die brief werd niet geplaatst. De krant nam ten onrechte contact op met de penningmeester om toe te lichten waarom de brief niet werd geplaatst. En passant werd de penningmeester ervan beschuldigd zijn straatje te willen schoonvegen.

De krant stelde dat het na een groot aantal pogingen echt niet gelukt was de penningmeester aan de lijn te krijgen en dat dat in het artikel duidelijk was gemeld.

De Raad vond de klacht gegrond: de krant had onzorgvuldig gehandeld door het artikel op maar één bron te baseren, door de beschuldigingen onvoldoende te onderzoeken en door onvoldoende wederhoor toe te passen.

Lees de uitspraak hier.

Daarop besteedde de krant in de rubriek “In het nieuws” aandacht aan de uitspraak. In dat stukje stond de zin: “De verslaggever heeft drie dagen lang vergeefs geprobeerd in contact te komen met X. Niettemin stelt de Raad dat die meer onderzoek naar de beschuldigingen had moeten doen.” Klager was ontevreden over deze weergave en stapte opnieuw naar de Raad. De krant herhaalde in feite de beschuldigingen en vermeldde daarbij zijn naam, ondanks het verzoek de uitspraak te anonimiseren, luidde in tweede instantie de klacht.

De Raad vond dat het de krant vrij staat een mening te uiten over de conclusie van de Raad, maar dat de samenvatting van de uitspraak een evenwichtige weergave daarvan moet zijn. Daarvan was hier geen sprake, zodat de krant (opnieuw) journalistiek onzorgvuldig handelde.

Lees de uitspraak hier.

Halsstarrige tandarts

De Leeuwarder Courant had in juli 2011 een artikel over een tandarts die na een schorsing weer een eigen praktijk wilde beginnen, terwijl het ministerie van VWS hem niet opnieuw wilde opnemen in het BIG-register.

De bewuste tandarts klaagde omdat hij het stuk onjuist en tendentieus vond. Bovendien werd hij met naam en toenaam genoemd, hetgeen hij als een aantasting van zijn privacy heeft ervaren.

De Raad was het met klager eens, dat in het stuk had moeten staan dat hij een aantekening uit het register verwijderd probeerde te krijgen. Die onjuistheid had de krant eerder al in de internetpublicatie rechtgezet. Ook mocht de krant gewag maken van eerdere tuchtzaken, maar naar het oordeel van de Raad deed de krant dat onvolledig, waardoor ten onrechte de suggestie werd gewekt dat de tandarts jarenlang op grote schaal ondeugdelijk werk zou hebben geleverd.

De Raad vond verder dat in beginsel het noemen van de volledige naam in een bestuursrechtelijke zaak is toegestaan, maar in deze zaak niet, omdat door de combinatie van de onvolledige en tendentieuze berichtgeving over eerdere tuchtzaken en het noemen van de naam zijn privacy disproportioneel werd aangetast.

Lees de uitspraak hier.

Bijna twee jaar later verzocht klager de krant om het bewuste artikel van de website te verwijderen en om zich verder te onthouden van ‘suggestieve, belastende, ongenuanceerde en foutieve berichtgeving’. De krant wees dat verzoek af, maar paste de tekst wel aan. Nu luidde de kop “Tandarts naar rechter om aan de slag te blijven”. Ook verder werd de tekst aangepast, maar de tandarts was nog steeds niet tevreden. Hij bleef vinden dat de krant hem als een ‘horrortandarts’ neerzette die patiënten onherstelbare schade berokkende.

De Raad was het met de krant eens, dat er geen goede gronden waren om het artikel van de site te verwijderen omdat het publieke belang om door de media geïnformeerd te worden zwaarder woog dan het belang van de betrokken tandarts bij het verwijderen van de publicatie. Anderzijds vond de Raad dat de wijzigingen in het artikel geen recht doen aan de eerdere uitspraak van de Raad. De krant heeft enkele zinnen uit de uitspraak van de Raad geplukt zonder die in de online publicatie in de juiste context te plaatsen. Hierdoor werd de voor klager negatieve teneur van de publicatie ten onrechte versterkt.

Lees de uitspraak hier.

Wederhoor via een tweet

Tenslotte een conclusie die interessant is omdat de Raad zich hier uitliet over de manier waarop wederhoor wel of niet moet worden toegepast in het tijdperk van Twitter en Facebook. De website 925.nl (Nine to Five, doelgroep werkende mannen) plaatste in december 2013 een artikel op de site met als kop “Jordin van Zwol iets minder geweldig dan gedacht”. Volgens het stuk zou tegen de internetmiljonair aangifte gedaan zijn wegens strafbare feiten.

De klacht richtte zich vooral op de slotzin die meldt “dat hij alle kans heeft gekregen om te reageren, maar dat op geen van de (mobiele) nummers die bij de bedrijven horen wordt opgenomen”. Hij ontving een tweet van een van de redactieleden met het verzoek tot telefonisch contact. Daarop antwoordde hij dat hij ziek was en verzocht hij een e-mail te sturen. Later ontving hij nog een bericht via Facebook, maar dat was na de publicatie van het artikel.

Klager vond dat sprake was van eenzijdige en tendentieuze berichtgeving, mede door het niet toepassen van wederhoor. De Raad was dat met hem eens: hij werd beschuldigd van strafbare feiten en dus moest de redactie al het mogelijke doen om wederhoor te verkrijgen. Het benaderen van bedrijven om informatie over klager te vergaren is nog iets anders dan het toepassen van wederhoor bij klager zelf.

De journalist had bovendien in zijn tweet moeten melden dat hij van plan was de volgende dag te publiceren. Hij verzocht evenmin om vóór een bepaald tijdstip te reageren. Ook had hij niet alleen na publicatie, maar ook vooraf via Facebook kunnen proberen klager te bereiken. Tenslotte was de Raad er ook niet van overtuigd dat het hier ging om een zo urgent bericht dat niet gewacht kon worden met plaatsen. Al met al luidde de conclusie dat hier sprake was van journalistiek onzorgvuldig handelen.

Lees de uitspraak hier.

Nog geen reactie — begin de discussie!