Stel, je wilt wetenschapsjournalist worden. Hoe doe je dat? Er bestaat geen speciale opleiding wetenschapsjournalistiek die je kunt volgen. Dus hoe dan? Odette Knappers boog zich over deze vraag in haar scriptie voor de opleiding journalistiek.

Omdat ik benieuwd was hoe het werkveld denkt over hoe je het best wetenschapsjournalist kan worden, heb ik een aantal freelancers, chefs en hoofdredacteuren ernaar gevraagd.

Academische graad

De chefs van de wetenschapsredacties van  NRC Handelsblad en Trouw waren erg stellig: je moet een academische graad hebben in het vakgebied van de wetenschap waar je over schrijft. Op die manier weet je precies wat nieuw is en wat niet, en wordt je niet zomaar iets op de mouw gespeld.

De andere mensen die ik voor mijn scriptie heb gesproken, zeiden dat het niet uitmaakt of je een journalistieke opleiding hebt gedaan of dat je een papiertje hebt uit het vakgebied waar je over schrijft. Deze geïnterviewden waren de chef wetenschap van de Volkskrant, de hoofdredacteuren van Quest en New Scientist, de chef redactie van Kijk, enkele freelancers en de voorzitter van de Vereniging voor Wetenschapsjournalistiek en –Communicatie in Nederland.

In mijn scriptie heb ik het over twee routes naar de wetenschapsjournalistiek: linksom of rechtsom. De eerste optie is een wetenschappelijke opleiding en daarna journalistiek er achteraan, en de tweede optie is na een journalistieke opleiding je verdiepen in een wetenschapsgebied. Want dat je een specialisatie nodig hebt als wetenschapsjournalist, daar is iedereen het over eens.

Ieder voordeel heb z’n nadeel

Er zijn veel voordelen aan het hebben van een wetenschappelijke opleiding als wetenschapsjournalist. Je kent je vakgebied door en door, dus je weet goed wat er nieuw is en wat niet. Je bent bekend met alle vaktermen, je hebt een grote parate kennis.

Daarnaast ben je goed bekend met de wetenschappelijke gang van zaken. Je weet hoe onderzoek werkt, je beschikt over statistiekkennis en onderzoeksvaardigheden, je bent bekend met het hele systeem van wetenschappelijke papers publiceren en peer review. Allemaal kennis en vaardigheden die handig zijn voor een wetenschapsjournalist. Je weet immers precies waar je op moet letten.

Maar het hebben van een academische opleiding heeft een heel groot nadeel: jargonblindheid. Voor jou zijn sommige termen zo normaal geworden en bepaalde achtergrondkennis ervaar je als zo vanzelfsprekend, dat je vergeet wat je lezer allemaal niet weet. Je schrijft dan niet goed meer op je lezer, is het risico.

Actieve versus passieve kennis

Het is dus als wetenschapsjournalist nuttig om alles te weten over het doen van onderzoek, maar moet je het ook zelf kúnnen? Dat is immers een van de doelen van een academische opleiding: onderzoek kunnen doen. Als wetenschapsjournalist moet je wel kennis hebben van alles wat bij onderzoek komt kijken, en je moet ook wel alles kunnen begrijpen, maar je hoeft het niet per se uit te kunnen voeren.

Dit onderscheid wordt duidelijk uitgelegd in de cursus van de World Federation of Science Journalists. Daar maken ze het onderscheid tussen actieve en passieve kennis. Met actieve kennis over een statistische methode bedoelen ze dat je de methode zelf kunt toepassen op een dataset. Met passieve kennis bedoelen ze dat je de methode begrijpt. Voor een wetenschapsjournalist is de passieve kennis toereikend, aldus de cursus.

Die passieve kennis over wetenschap, die hoef je niet per se op te doen op een universiteit. Je kunt ook autodidact zijn op een bepaald gebied. Kijk naar Govert Schilling, die is autodidact zowel op het gebied van de astronomie als de journalistiek, en hij is the one for the job als het om sterrenkunde gaat in de wetenschapsjournalistiek.

Uit eigen ervaring

Zelf heb ik een beetje het beste van twee werelden. Na een bètapakket op de middelbare school heb ik een paar maanden technische natuurkunde gestudeerd aan de Universiteit Twente, waarna ik de beslissing nam dat het toch beter bij me paste om te schrijven over wetenschap dan om het zelf te doen. Toen ben ik eerst nog naar de Radboud Universiteit gegaan, daar heb ik anderhalf jaar communicatie- en informatiewetenschappen gestudeerd voordat ik uiteindelijk de overstap naar de opleiding journalistiek in Tilburg heb gemaakt.

Mijn studietijd in Nijmegen is heel waardevol geweest, vooral omdat ik daar veel heb geleerd over wetenschap, wetenschappelijke publicaties zoeken en verwerken en over het verwerken van een grote hoeveelheid informatie. Dit zijn vaardigheden die mij als wetenschapsjournalist erg goed van pas komen, en die ik op mijn opleiding journalistiek niet in dergelijke mate heb opgedaan. Maar ik denk niet dat je per se een academische opleiding nodig hebt om die vaardigheden op te doen, dat kan ook op autodidactische wijze. Bijna al mijn kennis over elementaire deeltjes en kwantummechanica heb ik op die manier opgedaan.

Wat voor mij van grote waarde is geweest op mijn journalistieke opleiding, is dat ik heb leren schrijven. Eigenlijk ben ik een bèta in hart en nieren, taal was niet echt mijn ding. Op mijn opleiding heb ik veel over journalistiek schrijven geleerd, maar ik heb er ook goed geleerd om te leren. Ik lees tijdschriften of andere journalistieke publicaties nu vaak met een dubbele bril: voor mijn plezier (nog steeds), en om te leren van wat anderen doen. Waarom vind ik dit een prettig of een goed stuk? Waar ligt dat aan? Waarom haak ik hier af? Op die manier heb ik veel geleerd, en leer ik nog steeds veel.

Vrijheid blijheid

Een ideale route om wetenschapsjournalist te worden is er dus eigenlijk niet. En dat is maar goed ook. Zo kan iedereen een route kiezen die het beste bij hem of haar past.

Dat geldt eigenlijk voor de gehele journalistiek. Iedereen kan er op zijn eigen manier een plekje vinden. Dat geeft ook nog eens een leuke variatie onder collega’s. Linksom of rechtsom; alle wegen leiden naar Rome.

De scriptie is te downloaden op het afstudeerblog [pdf] van Odette Knappers.

Al 4 reacties — discussieer mee!