Gister verscheen op DNR een artikel over televisieprogramma’s die aan wetenschappers geld vragen om in de uitzending te komen. Wetenschapsvoorlichter Michel van Baal maakt het vaker mee dat media hem daarvoor benaderen. Soms op slinkse wijze.

Over de kwestie van wetenschappers die geld moeten neertellen om op tv te komen, publiceerde mijn collega-wetenschapsvoorlichter Roy Meijer al in september een korte blogpost. Het ging over ‘een mediavraag’, die bij nader inzien een commercieel aanbod bleek.

Tot mijn verbazing werd dat ‘nieuws’. Diverse universiteitsbladen plaatsten er een berichtje over en er werd stevig, soms verontwaardigd, over getwitterd. Ook door journalisten.

Dat vind ik wel opmerkelijk want bij programma’s van commerciële zenders is product placement schering en inslag, dus het zou geen verbazing mogen wekken dat ze dat ook bij universiteiten proberen. Vruchteloos, meestal.

Journalistiek en commercie

Iets gemengdere gevoelens heb ik bij de manier waarop sommige journalistieke merken commerciële activiteiten ontplooien. Ook dat mag best, maar helaas is het aan mijn kant van de telefoon lang niet altijd even helder of ik nou met een redactie of met een verkoopafdeling spreek. En dan bekruipt me wel eens het ongemakkelijke gevoel dat dat doelbewust is.

Het geval dat Roy aan de hand had – commerciële tv op onrendabele tijdstippen – is eigenlijk nog vrij recht-toe-recht aan. In mijn optiek is een soort zendtijdvulling, waar vroeger het beroemde Tell-Sell zat. De kwaliteit van dat soort programma’s is meestal bedroevend en er kijken nauwelijks mensen naar. Dat wordt je natuurlijk niet verteld als je de redactie aan de lijn hebt, maar daar ben je met SKO en Google zo achter.

Extreem voorbeeld

Ter illustratie, een paar maanden terug had ik zelf zo’n programma aan de lijn dat aanbood een aantal afleveringen op locatie te maken. Of ik daarvoor even 75.000 euro wilde bijdragen (exclusief de locatiekosten die natuurlijk ook voor mij waren). Dit betrof een zondagmiddagprogramma op een commerciële zender, met ergens tussen de 40 en 100 duizend kijkers.

Dit was in zijn soort een wel erg extreem geval was, dus ik vrees dat ik aan de telefoon onbeleefd in schaterlachen ben uitgebarsten.

Heel erg is dat niet, al zijn dit soort telefoontjes vaak tijdrovend en frustrerend omdat ze eerst een sterk ‘redactioneel’ gevoel bij je proberen te kweken, je enthousiast proberen te krijgen en zo laat mogelijk met ‘de financiële aap uit de mouw’ komen. Maar na een paar jaar in dit vak weet je na twee woorden al genoeg, en kan je het kort houden (zie de titel boven dit stuk).

Het ANP (of niet)

Afgelopen september had ik echter een andere variant: ‘het ANP’ belde. Ik zag op mijn scherm een 020-nummer, dus dan ben ik meteen een beetje achterdochtig. Het ANP belt me natuurlijk wel vaker, en hun nummers (070- 4141XXX) herken ik meteen.

Dit was ‘het ANP’ dan ook niet, het bleek een verkoper van  ‘ANP Zakelijk’ die mij een of andere dienst wilden verkopen. Maar DAT vertelde ze me pas na een boel aandringen. Dat voelt toch niet helemaal zuiver.

Mediaplanet

Die gewoonte om bij een commercieel mediaproduct eerst een zo ‘journalistiek’ mogelijk gevoel te kweken is bij veel communicatieafdelingen bekend. Het heeft bij ons op de afdeling zelfs een gezicht: Mediaplanet. Die doen hetzelfde: ze bellen voor een bijdrage in de bijlage van een grote krant, zoals het FD of De Telegraaf.

Ze wekken daarbij – in mijn beleving- subtiel de indruk dat je met de redactie van die krant spreekt. Niets is minder waar, het is een commerciële advertentiebijlage, die buiten de redactie om gemaakt wordt en vooral geld moet opleveren. Hoewel ze schermen met grote oplagecijfers, worden ze volgens mij nauwelijks gelezen – mensen zijn niet gek.

Mediaplanet heeft dat concept op een in mijn ogen venijnige manier vervolmaakt, omdat ze het onderwerp van de bijlage meestal scherp kiezen en daarna ‘peer pressure’ toepassen: ‘je collega-instituten staan er ook allemaal in, en je wilt toch niet dat er straks een mooie bijlage is waar jij NIET in staat?’. Een argument dat helaas erg goed werkt, zeker als je als instituut van nature niet erg veel media-aandacht krijgt. Mediaplanet probeert het bovendien via heel veel ingangen in de organisatie – en bij ons lukt het ze gemiddeld genomen toch steeds een keer per jaar. Helaas.

Grijs gebied

Geld verdienen mag best en ik snap goed dat het voor journalistieke merken tegenwoordig noodzaak is, nu consumenten betalen voor nieuws steeds minder vanzelfsprekend vinden.  Voor de goede orde: ik heb nog nooit meegemaakt dat een nieuwsredactie me om geld vroeg voor aandacht, ook niet bij commerciële zenders.

Goedbekeken programma’s als DWDD zijn niet te koop. Maar er is ook een grijs gebied waar de de grenzen tussen echte journalistiek en commercie niet altijd duidelijk zijn. De vraag is of dat wenselijk is. Aan de verbaasde reacties op publicaties over dit onderwerp te zien is het in ieder geval niet breed bekend.

Dit is een enigszins bewerkt versie van een blogpost die Michel van Baal in september op zijn weblog publiceerde.

 

Michel van Baal

Michel van Baal werkt voor de afdeling Externe Communicatie van de TU Delft en begeleidt (oa) de communicatie rondom de bekende …
Profiel-pagina
Nog geen reactie — begin de discussie!