Iedereen kan zich journalist noemen. Maar is dat wel gewenst? Aan reguleren, ballotage, toezicht en controle hebben journalisten een broertje dood. Maar ze zullen er toch aan moeten geloven, meent Folkert Jensma.

Toch was het een klein tikje voor het zelfbeeld, de constatering in de regionale HMC-kranten (woensdag 16 december) dat ´steeds vaker´ criminelen de onderwereld verruilen voor de journalistiek. ‘Van boef naar crimereporter’ stond er boven, met vier foto’s van nogal stevige mannen die nu websites runnen, foto-opdrachten aannemen en informatie verkopen. Welkom, collega’s?

Is dit het journalistieke beroep als reclassering of als dekmantel? Of doet een crimineel die journalist wordt hetzelfde als de diplomaat die Elsevier redacteur werd (Rik Kuethe) of een tenniskampioen die verder gaat als sportcommentator (Marcella Mesker)?

Grondrecht

De journalistiek is in beginsel een lekenberoep waar iedere deskundige zij-instromer, uit welke subcultuur dan ook welkom is. Feitelijk is journalistiek niet meer dan het uitoefenen van het grondrecht op de vrijheid van meningsuiting met behulp van journalistieke technieken. Ook een crimineel kan zijn ervaring en kennis exploiteren met een perskaart. Dit is een vrij land, nietwaar.

Deze maand boekte één van hen, Martin Kok, een interessante overwinning op het bestuur van het Gerechtshof in Amsterdam. Dat had hem de toegang tot het gerecht geweigerd omdat onlangs zijn auto en woning waren beschoten. Op zijn website vlinderscrime.nl zou Kok zich zo provocerend uitlaten dat men hem een veiligheidsrisico voor andere bezoekers van het gerecht achtte.

De rechter vond dat echter een ongewenst signaal ‘in een democratische rechtstaat’. De bedreiging van misdaadjournalisten mag er niet toe leiden dat ze daarna uit de rechtszaal worden geweerd. Drie hoeraatjes voor de persvrijheid dus, met dank aan Kok. Die daarmee dus ook en passant werd erkend als misdaadjournalist, door de rechter.

Journalisten en niet-journalisten

Toch is deze vrijheid-blijheid aanpak niet zonder problemen. Als iedereen journalist is, is immers niemand journalist. Die ‘titel’, als het dat al is, heeft dan geen enkele onderscheidende waarde. Hetgeen niet wegneemt dat er toch een verschil is tussen journalisten en niet-journalisten.

Journalist en ex-hoogleraar Jeroen Smit stelde onlangs op Villamedia.nl voor om een vrijwillig openbaar online register open te stellen voor journalisten, vooral om fraude tegen te gaan en controleerbaarheid te vergroten. Journalisten zouden bij registratie dan een eed moeten afleggen. Namelijk dat zij zich aan een aantal spelregels zullen houden.

Naarmate de druk, concurrentie en snelheid toenemen wordt de kans op normoverschrijdingen groter, meent hij. Er komen bovendien steeds meer zelfstandig gevestigde journalisten, die buiten het zicht van redactionele begeleiding, of statutaire bescherming werken. Zo’n register is dan een openbare maatstaf annex keurmerk.

Journalisten die de spelregels overtreden zouden dan uit dat register worden geschrapt. Feitelijk is dit een stelsel van zelf-accreditatie – met een ballotage achteraf. Iedereen is journalist, totdat wordt besloten dat je dat niet meer bent. Wie dat dan moet besluiten, en bij hoeveel overtredingen, laat hij in het midden.

Collegiale toetsing

Soortgelijke suggesties werden eerder gedaan in de Persvrijheidslezing 2013 door oud-raadsheer Egbert Myjer, overigens één van de vier vice-voorzitters van de Raad voor de Journalistiek. Myjer suggereerde dat journalisten die aanspraak willen maken op bronbescherming zich tenminste verplichten tot collegiale toetsing, via de Raad voor de Journalistiek. Dat een ‘willekeurige blogger’ de herkomst van een geheim AIVD-rapport geheim zou mogen houden, leek hem ook niks. Ook bronbescherming zou beperkt moeten blijven tot echte en dus ‘erkende’ journalisten. Myjer vond dat een taak voor de NVJ. Ook dat is immers een vorm van collegiale toetsing.

In zekere zin bestaat die trouwens al. Wie een NVJ-perskaart wil ontvangen moet daarvoor een ‘aantal artikelen’ opsturen, zo las ik onlangs in de brochure.

Dat de journalistiek hier in lastig parket zit, lijkt me evident. Aan reguleren, ballotage, toezicht en controle hebben we allemaal een broertje dood. Maar you can’t have your cake and eat it, luidt het gezegde. De journalistiek zal moeten (leren) kiezen. En vaststellen wie het wel is. En wie niet. Of niet meer. Die is dan gewoon ‘publicist’. Het is ook denkbaar dat de samenleving dat wel eens wil weten.

Ik stel voor dat we gewoon beginnen – met zelfaccreditatie. Zo’n NVJ-perskaart, dat zegt al wat. En waarom zet iedere (freelance) journalist niet op zijn website, in zijn offertes of standaardvoorwaarden dat je werkt volgens de Leidraad van de Raad voor de Journalistiek en in beginsel meedoet aan procedures bij de Raad? Dat schept toch vertrouwen.

Al 2 reacties — discussieer mee!