De komende weken worden op DNR de hoofdstukken uit het boek Journalistieke Cultuur in Nederland gerecenseerd. Frank Huysmans bespreekt vandaag hoofdstuk 15: Clicken, checken, delen, snacken, linken: Het veranderend gebruik van journalistiek. Hij signaleert dat het hoofdstuk te weinig oog heeft voor de waarde van kwantitatief onderzoek naar mediagebruik.

Hoort een beschouwing over het gebruik dat men van nieuws maakt thuis in een bundel met beschouwingen over ‘journalistieke cultuur in Nederland’? Mits je ‘cultuur’ ruim genoeg opvat is dat zeker het geval.

De eerste editie van het boek uit 2002 (onder redactie van Bardoel, Vos, Van Vree en Wijfjes) stond nog geheel in het teken van de aanbodzijde. In de nieuwe editie is er wat meer aandacht voor de publiekskant. Gezien de grotere interactiviteit die de overgang naar webjournalistiek met zich meebracht, lag het toevoegen van bespiegelingen over civic journalism en de driehoeksrelatie tussen journalistiek, politiek en publiek voor de hand.

Nieuwsgebruik door het publiek

Toch is maar één van de achttien hoofdstukken in de bundel echt gewijd aan de publiekskant. Irene Costera Meijer en Tim Groot Kormelink schreven een synthese van zes grotendeels kwalitatieve studies naar het omgaan van Nederlanders met het nieuws. De qua omvang grootste studie dateert uit 2004. Dat was een onderzoek naar hoe het NOS Journaal een jonger publiek zou kunnen bereiken.

De overige studies vonden plaats in de periode 2011-2014 en waren qua omvang bescheidener. “Met dit onderzoek kan vrij precies de vraag worden beantwoord hoe nieuwsgebruik de laatste tien jaar is veranderd door de digitalisering van nieuws en de introductie van sociale media,” stellen de auteurs. Daarnaast beogen zij het bestaande begrippenvocabulaire rondom journalistiek, dat aanbiedergecentreerd is, aan te vullen met een gebruikersrepertoire.

Moeizame discussies

Hoe precies is ‘vrij precies’? Met enige kennis van elders durf ik te stellen: niet heel erg precies. De auteurs zijn mij veel te stellig in het afwijzen van het vele onderzoek van kwantitatieve aard. Wie ruim vijfentwintig jaar geleden communicatiewetenschap studeerde, herinnert ze zich nog: de moeizame discussies over het vermeende positivisme van de cijferaars tegenover het beschrijven ‘van binnenuit’ van het perspectief van de handelende individuen. Grootschalig-toetsend-zendergecentreerd versus kleinschalig-exploratief-ontvangergecentreerd. Meer smaken waren er niet, en nu kennelijk nog altijd niet.

Costera Meijer en Groot Kormelink kiezen voor de laatstgenoemde benadering en vegen al het cijfermatige onderzoek terzijde. Ze doen dit onder meer met het argument dat mensen hun nieuwsconsumptie in kwantitatief onderzoek overschatten. Bij enquêteonderzoek is dat inderdaad vastgesteld, maar het meten van tijdbesteding aan media met dagboeken is juist ingevoerd om daar iets aan te doen (en niet zonder succes, zo is in diverse methodologische studies vastgesteld).

Onder de radar

Deze rigide afwijzing van cijfermatige trends wreekt zich. In hoofdstuk 4 van dit boek over de onzekere toekomst van de krant door Piet Bakker wordt duidelijk dat dat medium het allesbehalve makkelijk heeft. Hoe sterk de oplagecijfers samengaan met verschuivingen in leestijd van (papieren) kranten, en in hoeverre een vermoedelijke daling wordt gecompenseerd met het raadplegen van digitaal nieuws – we komen het niet te weten. Laat staan dat we vernemen welke nieuwssites en -programma’s het populairst zijn onder jongeren versus ouderen, laag- versus hoogopgeleiden en autochtone versus nieuwe Nederlanders.

Ook horen we niets over verschillen in belangstelling voor lokaal, regionaal, landelijk en internationaal nieuws. Kwantitatieve informatie daarover is uit diverse bronnen beschikbaar. Het had alleen maar geciteerd hoeven worden om het eigen kwalitatieve werk aan te vullen en het beeld in dit hoofdstuk een behoorlijk stuk vollediger te maken. Door cijfermatige informatie categorisch af te wijzen, blijven cruciale veranderingen in de gebruikscultuur van journalistieke producties in deze bundel onder de radar.

Zestien gebruikspatronen

Wat komt de lezer dan wel te weten? Gelukkig is dat heel wat, want de tweede doelstelling wordt wél waargemaakt. De synthese van kwalitatieve studies (allemaal uit eigen huis) laat heel fraai zien dat gebruikers heel andere definities van nieuws en nieuwsgebruik hanteren dan makers.

Costera Meijer en Groot Kormelink destilleren uit de door henzelf verrichte/begeleide studies zestien ‘patronen’ in het nieuwsgebruik zoals gebruikers die zelf definiëren. Tien daarvan verwijzen naar bredere praktijken: lezen, kijken (‘lean forward’), zien (‘lean backward’), luisteren, checken, snacken, scannen, monitoren, zoeken en clicken. Bij de overige zes – linken, delen, liken, aanbevelen, becommentariëren en stemmen – wordt het geraadpleegde nieuws in het domein van sociale media ondergebracht. Voor de (combinaties van) activiteiten die onder al deze noemers vallen, verwijs ik kortheidshalve naar het hoofdstuk zelf.

Doordat de zes studies een decennium omspannen, geven ze samen een mooi beeld van de opkomst van nieuwe vormen van nieuwsgebruik. Evenzeer komt heel mooi in beeld hoe mensen nieuwsbronnen en apparaten combineren om op de hoogte te blijven van het nieuws, en hoe die combinaties met andere activiteitenpatronen zijn vervlochten, zoals aandachtig luisteren voor het slapen gaan of een snel checkrondje van het laatste nieuws, sociale media en tinderprofielen op de smartphone tijdens een werkpauze.

En passant stuiten de auteurs op een validiteitskwestie in onderzoek naar klikgedrag. De daar heersende (impliciete) aanname dat clicks het interesseveld afdekken, wordt ten dele ondergraven door de opmerking van nieuwsgebruikers dat zij lang niet alles aanklikken wat ze interessant vinden. Het harde nieuws wordt bijvoorbeeld alleen gescand, wat niet betekent dat men er geen belangstelling voor heeft.

Eén tiener, geen zestigplussers?

Bij de rijke beschrijving van nieuwsgebruik door de bril van ‘ontvangers’ past wel nog een stevige kanttekening. De beschrijving is op een voor kwalitatief onderzoek aanzienlijk aantal cases gebaseerd. De auteurs melden in deze tekst niet hoe zij de geïnterviewden hebben gerecruteerd.

Ook blijft in het midden of de deelnemers een redelijke afspiegeling vormen van alle Nederlandse nieuwsgebruikers naar voor nieuwsgebruik relevante kenmerken als leeftijd en opleidingsniveau. Afgaande op de leeftijden van letterlijk geciteerde personen lag het zwaartepunt nadrukkelijk bij twintigers, begin-dertigers en vijftigers. Veertigers (16 procent van de bevolking middenin de hier onderzochte periode) en zestigplussers (22 procent en groeiend) worden in het geheel niet sprekend opgevoerd. En Anja van zestien is de enige tiener die aan het woord komt.

Het kan natuurlijk zijn dat twintigers bij uitstek in staat zijn hun nieuwsgebruik in goed bruikbare quotes weten om te zetten en dat andere leeftijden toch ook vertegenwoordigd waren. Toch acht ik het waarschijnlijker dat zij onder de respondenten sterk oververtegenwoordigd waren. Het qua omvang grootste onderzoek, dat uit 2004, was exclusief op 15-25-jarigen gericht. Uitspraken over hoe de andere leeftijdsgroepen sindsdien het omgaan met nieuws hebben ‘gedigitaliseerd’ blijven dus buiten bereik. Voor een omvattende beschrijving van de nieuwsgebruikscultuur is dat wel een dingetje.

Uit ander kwalitatief én kwantitatief onderzoek is bekend dat we de in onze formatieve jaren opgebouwde mediagebruikspatronen op latere leeftijd behoorlijk trouw blijven. Het mediagebruik van zestigplussers had dus heel goed een wat conservatiever beeld kunnen laten zien, als tegenwicht tegen het checken, snacken en liken.

Enige gerecht

Alles overziend laat het hoofdstuk toch behoorlijk wat te wensen over. De eenzijdige afwijzing van kwantitatief materiaal is daar in hoge mate debet aan. Wat zou er nou écht op tegen zijn geweest om beide methoden elkaar te laten aanvullen en zo de sterke kanten van elk de zwakke van de ander op te laten heffen?

Het blijft jammer dat de compacte en rijke beschrijving van het omgaan met nieuws vanuit het perspectief van de gebruikers het enige gerecht is dat in deze bundel op de kaart stond. Hoe goed het ook heeft gesmaakt.

Meer lezen over het omgaan met nieuws en journalistieke producties? Hier een aantal leestips:

Lees op DNR ook de andere recensies van hoofdstukken uit Journalistieke Cultuur in Nederland.

Nog geen reactie — begin de discussie!