Dode biggen op de plek waar in Heesch een AZC komt te staan: ‘netjes, netjes’ voor al die ‘verkrachters en aanranders’ die eraan komen of gewoon verschrikkelijk wat de ‘PVV-stemmers die de hele dag zuipen’ doen? Het is een beknopte samenvatting van de discussie op de Facebook-pagina van het Brabants Dagblad. Brabantse media worstelen met reagerende burgers en het wordt tijd voor een andere aanpak.

Alsof ze het zagen aankomen plaatsten BN De Stem en Eindhovens Dagblad geen reageermogelijkheid onder hun berichten over de gebeurtenis in Heesch van vorige week. Omroep Brabant sloot het forum na een paar uur. Aangezien op Facebook de reageermogelijkheid niet kan worden uitgezet, verscheen daar niets bij deze media. Alleen Brabants Dagblad was dapper genoeg om met reageermogelijkheid over de anti-vluchtelingenvarkens te berichtten.

De Facebookpagina van Brabants Dagblad met het bericht over dode varkens op de beoogde locatie voor een asielzoekerscentrum.
De Facebookpagina van Brabants Dagblad met het bericht over dode varkens op de beoogde locatie voor een asielzoekerscentrum.

Maar ook die krant worstelt met online reacties. Eind september nog sloot de redactie een forum onder het bericht ‘Vluchtelingen dreigen van brug te springen in Waalwijk’ en verwijderde het artikel ook van Facebook. Hoofdredacteur Mark van Assen nam daarentegen als enige het afgelopen jaar de moeite om een keuze als deze te verantwoorden via zijn betoog ‘De doodswens doodt ook het debat’.

De tekst die de hoofdredactie van het Brabants Dagblad onder een bericht over vluchtelingen plaatste na het sluiten van de reactiemogelijkheid.
De tekst die de hoofdredactie van het Brabants Dagblad onder een bericht over vluchtelingen plaatste na het sluiten van de reactiemogelijkheid.

Het is dan ook spijtig Van Assen als lijdend voorbeeld te noemen, maar zijn stuk is typerend voor hoe redacties omgaan met reacties. Hij spreekt namelijk over de site en sociale media als ‘podia voor discussie en debat’, maar tegelijkertijd moest een extra redacteur ‘de stroom aan scheldpartijen en beledigende reacties op dit artikel (..) verwijderen’. In de praktijk zijn fora en social media van Brabantse nieuwsbrengers nauwelijks podia voor debat, maar een plek waar mensen schreeuwen tegen elkaar en over nieuws. En waar journalisten dit weer censureren.

Regels die geen regels zijn

Onze media schieten veel tekort als het gaat om het debat online. Journalistiek werk zoals het checken van feiten en beweringen, mensen vragen om onderbouwing, proberen raakvlakken of juist verschillen te vinden: het wordt hier niet gedaan. In plaats daarvan zetten ze moderatoren in die reacties voor publicatie controleren of achteraf verwijderen. En soms ook mensen blokkeren. Op basis van regels die media zelf bepalen.

Het is vreemd dat Brabantse nieuwsmakers überhaupt regels opstellen; er is geen gegronde reden voor iemand zich hieraan te houden. Iedereen kan namelijk zelf kiezen wat te publiceren. Van Assen schrijft het zelfs in zijn betoog: “(…) dinsdagochtend bleek echter dat het geraas op Facebook onverminderd doorging.”

Reageren lezers niet op de nieuwssite of de Facebook-pagina dan doen ze het wel via hun eigen kanalen (Google maar eens ‘nee tegen AZC’). Iedereen kan zenden waardoor iedereen zijn eigen regels bepaalt wat betreft de uitingsvrijheid. Het is dus onzinnig om tegen mensen te zeggen dat ze zich online moeten houden aan bepaalde normen.

Arbitraire regels

Veel regels zijn bovendien arbitrair of kunnen niet getoetst worden door moderatoren. Zo mag je volgens Brabantse media niet ‘beledigen’. Discutabel, want iemand hoeft maar te zeggen zich beledigd te voelen en de ander kan de mond worden gesnoerd. Daarnaast kan een beledigende mening ook waarheid bevatten, zo merkte Ayaan Hirsi Ali terecht op in haar essay ‘Het recht om te beledigen’.

Het Eindhovens Dagblad gaat zelfs verder: reageerders moeten zich houden aan ‘elementaire fatsoensnormen’. Wat ze daarmee bedoelen, laten we buiten beschouwing. Want het meest schrijnende aan deze regel is niet de suggestie dat iedereen weet wat absolute fatsoensregels zijn. Erger is de bewering dat fatsoensnormen sowieso absoluut en daarmee onbespreekbaar zouden zijn. Door de vrijheid van meningsuiting kunnen we die juist toetsen. Was het in de jaren tachtig en negentig nog ‘onfatsoenlijk’ te zeggen dat allochtonen moesten integreren, nu is dat een voorwaarde.

Als er geen reden is om fatsoensnormen te bediscussiëren, dan zou de gehele uitingsvrijheid overbodig zijn. Immers, als al onze fatsoensnormen absoluut zijn, hoeven we niets meer te bespreken. Media die ‘podia voor debat en discussie’ zeggen aan te bieden, hebben de vrijheid van meningsuiting niet echt begrepen als ze stellen dat fatsoensnormen niet besproken mogen worden.

Rol van reageerders

Aan de andere kant moeten reageerders ook beseffen dat het verkondigen van een mening geen absolute vrijheid is. Een uiting heeft altijd een bepaald doel. En om dat doel te bereiken, heeft een mening waarde nodig. Een doelloze mening kennen wij in Brabant beter als ‘slap geouwehoer’: leuke kroegpraat, maar over belangrijke zaken wil je toch iets gedaan krijgen met je mening of expressie. En om iets overtuigends te zeggen, moet wat je zegt ergens op slaan.

Dat brengt ons bij de vluchtelingenopvang. Volgens het ene kamp moeten we geen vluchtelingen opvangen, volgens het andere kamp wel. Als beide meningen evenveel waarde zouden hebben, dan zijn ze allebei niets waard. Want welke moeten we dan kiezen?

Het is dan ook logisch dat in online discussies over dit onderwerp voorstanders van opvang stellen dat (onder andere)  mensen in levensgevaar zijn: ze willen zich er niet schuldig aan maken de medemens in nood de rug toe te keren. Tegenstanders zeggen weer (onder andere) dat veel mensen hier komen profiteren van onze voorzieningen: ze willen niet besodemieterd worden. Zo proberen deelnemers hun meningen te onderbouwen waardoor ze waarde krijgen en de discussie vooruit komt; ‘we’ willen geen economische vluchtelingen.

Het probleem is alleen dat reageerders hun meningen vaker niet dan wel onderbouwen. Als dat sporadisch toch gebeurt, dan controleert niemand die informatie. Wat natuurlijk een hoop onware beweringen oplevert, of in ieder geval reacties die een ander niet serieus neemt. Omdat niemand de informatie binnen reacties controleert, kan niemand de meningen op waarde schatten. En dus zijn ze waardeloos. Het is dan ook niet vreemd dat de winnaar in een online debat degene is die de populairste opmerking plaatst, in plaats van de best onderbouwde.

De afstandelijke journalist

In plaats van de informatie te controleren, sturen moderatoren discussies aan door sancties op te leggen. Maar er is geen enkele reden om die sancties serieus te nemen: reageerders blijven publiceren. En waarom zouden ze daarmee stoppen? Ze hebben de mogelijkheid, het recht en het is zelfs wenselijk voor onze samenleving dat iedereen een eigen mening formuleert.

Dan nog is het zo, kan je zeggen, dat ‘onwenselijke’ reacties niet te zien zijn op online kanalen van Brabantse media. Hiermee zouden ze voldoen aan hun journalistieke taak; het verschonen van het publieke debat. Maar dat is een drogreden. Dit soort reacties worden nog steeds de wereld in geslingerd en dus vindt het ‘vervuilde’ publieke debat gewoon plaats, alleen buiten de traditionele media om.

De oplossing ligt bij de moderator die midden in de discussies moet staan: door beweringen controleerbaar te maken, te vragen naar iemands beweegredenen, overeenkomsten en verschillen te zoeken tussen argumenten. Maar om te beginnen: door in gesprek te gaan met de mensen. Want als je ze niet spreekt, weet je ook niet waar ze hun meningen op baseren.

Hoofdredacteur Van Assen stelde zichzelf in het Brabants Dagblad van 1 oktober de volgende vragen: “Wat is er toch aan de hand? Waarom zeggen mensen dit soort dingen?” Het is misschien een gewaagd idee, maar ik zou zeggen: vraag het ze.

Nog geen reactie — begin de discussie!