Op DNR recenseren we de hoofdstukken uit het boek Journalistieke Cultuur in Nederland. Michaël Opgenhaffen bespreekt vandaag hoofdstuk 16 (Google en Facebook bepalen het nieuws) en hoofdstuk 18 (Democratisering van het nieuws?).

In hoofdstuk 16 bespreken Andra Leurdijk en Matthijs Leendertse de economische waarde van journalistiek, dit onder de hoofdtitel ‘Google en Facebook bepalen het nieuws’. Ze geven in het begin van het hoofdstuk aan dat deze tekst bevindingen bundelt op basis van eigen deskresearch en interviews met sleutelfiguren uit het Nederlandse media- en nieuwslandschap.

Het waardennetwerk van journalistiek

Als kapstok om deze inzichten aan op te hangen, gebruiken ze de structuur van het waardennetwerk rond journalistiek en nieuws. Zo komen de verschillende fasen en actoren van het journalistieke proces aan bod (productie, aggregatoren, distributie, publiek).

De keuze van de auteurs om te kiezen voor een bespreking van de invloed van nieuwe technologiën op de verschillende elementen uit het waardennetwerk rond journalistiek en nieuws is verdedigbaar. Het is namelijk een hele klus om in een hoofdstuk van om en bij de vijftien pagina’s een overzicht te geven van wat er de voorbije jaren allemaal is gebeurd op gebied van nieuwe en sociale media en de relatie met journalistiek. Een eenvoudige (of beter: logische) structuur die dan telkens binnen hetzelfde kader ingevuld wordt, kan zorgen voor duidelijkheid in de complexiteit.

En daar zijn de auteurs naar mijn gevoel zeker in geslaagd. Zo krijgen we als lezer duidelijk uitgelegd hoe bijvoorbeeld de rol van het persagentschap – die als intermediair tussen nieuwsgebeurtenissen en nieuwsaanbieders optreedt –  is veranderd. Interessant is ook de bespreking van hoe mediaorganisaties een band met hun publiek proberen op te bouwen, waarbij zelfs de woordkeuze voor leden in plaats van abonnees (zoals bij De Correspondent) strategisch blijkt te zijn.

Online nieuwsmedia

Je kan anderzijds de vraag stellen of een klassieke waardenketen nog wel zin heeft als kapstok om de invloed van nieuwe technologieën op journalistiek te schetsen, aangezien een duidelijke afbakening van de verschillende stappen en actoren niet langer houdbaar blijkt (zoals de auteurs ook meermaals schijnen te suggereren), maar echt problematisch is dit niet.

Behalve dan misschien op het gebied van een duidelijke indicatie of definiëring van de spelers en media die in het hoofdstuk onder de koepelterm online nieuwsmedia worden vermeld. Precies omdat de waardenketen (met verschillende ‘klassieke’ actoren zoals persagentschappen, printuitgevers, omroepen) als kapstok dient, is het niet altijd duidelijk wat de auteurs bedoelen met online nieuwsmedia: gaat het om klassieke mediaorganisaties die ook online actief zijn (bijvoorbeeld The New York Times) of om online onlies die geen offline platform hebben (bijvoorbeeld Huffington Post). Soms vermelden de auteurs dit expliciet, maar vaak ook niet, waardoor het voor de lezer soms gissen blijft naar hoe de auteurs de werkelijke impact van nieuwe technologieën op klassieke en/of nieuwe journalistieke routines inschatten.

Theoretische onderbouwing

Zoals gezegd slagen de auteurs er goed in om in enkele pagina’s een duidelijk overzicht te geven van hoe nieuwe technologieën en media een invloed hebben op de verschillende stappen en actoren uit het journalistieke productie- en consumptieproces. En hoewel ik begrip heb voor het feit dat de auteurs keuzes hebben moeten maken, mis ik als lezer echter soms een theoretische onderbouw, die bepaalde assumpties en relaties duidelijker zouden kunnen maken.

Zo legt het hoofdstuk de link tussen nieuwe productie- en consumptiegewoonten enerzijds en een verhoogde druk op klassieke mediaorganisaties anderzijds. Maar er wordt eigenlijk niet uitgelegd hoe deze (causale?) relatie moet gezien worden, of dit een uitsluitend recent fenomeen is, en of er ook geen andere manier is om naar deze evolutie te kijken, bijvoorbeeld vanuit een theoretisch-utopische hoek.

Ook wanneer de tekst ingaat op de negatieve invloed van nieuwe technologieën op de kwaliteit van de journalistiek, met steeds meer oppervlakkige berichten en eindeloos hergebruik van hetzelfde nieuws, kan het voor studenten journalistiek nuttig zijn om een meer inhoudelijke of theoretische bespreking van deze – op het eerste zicht evidente – link te kunnen lezen.

The News Gap van Boczkowski en Mitchelstein kan in deze context een nuttige literatuursuggestie zijn. Of studies die hebben aangetoond hoe klassieke nieuwsmedia worstelen met de moeilijke, zoals de auteurs aangeven, “overgangsfase van een focus op één platform – print of omroep – naar digitale productie voor verschillende platforms”, zoals die van Nikki Usher (New York Times) of Klaske Tameling (Nederlandse nieuwsmedia).

Dat de inzichten in dit hoofdstuk gebaseerd zijn op eigen deskresearch en interviews met sleutelfiguren uit het Nederlandse media- en nieuwslandschap is waardevol, maar het staat het gebruik van of verwijzingen naar andere soortgelijke studies niet in de weg, zeker niet wanneer het boek ook voor studenten is bedoeld.

Sociale media

In hoofdstuk 18 gaan Thomas Poell en José van Dijck in zeker zin verder in op twee aspecten uit hoofdstk 16, namelijk de nieuwsselectie en –consumptie, en dit met een focus op sociale media. Het (theoretische) uitgangspunt is dat sociale media als Facebook en Twitter gezien kunnen worden als platformen waar iedereen in alle vormen en kleuren nieuws kan produceren en consumeren en dat deze platformen op deze manier belangrijk zijn voor de democratisering van het nieuwsproces. Sociale mediaplatformen zouden gezien kunnen worden als neutrale platformen die onafhankelijke journalistiek stimuleren.

De auteurs bespreken op een onderbouwde manier in deze tekst – dat trouwens een herwerking is van een eerder uitgebracht hoofdstuk – waarom dit uitgangspunt volgens hen niet klopt. Ze focussen hierbij op twee aspecten:

1. In de eerste plaats bespreken ze de werking van algoritmen en beargumenteren hoe deze ondoorgrondelijke systemen een invloed kunnen hebben op de nieuwsselectie. De auteurs stellen dat

“wat relevant of trending is, wordt berekend aan de hand van een combinatie van gebruikerssignalen. (…) Deze algoritmische logica staat in contrast met de traditionele redactionele logica, die gebaseerd is op de oordelen en keuzes van professionele journalisten.”

Met andere woorden, een nieuwsselectie die weinig te maken heeft met de journalistiek als waakhond en een geïnformeerd publiek, maar alles met wat de platformen als relevant en dus aanklikbaar nieuws zien.

2. Als tweede punt bespreken ze de invloed van gebruikersdata, inzichten in het wie, wat en hoe van de leden van het platform die bijvoorbeeld via Facebook Insights beschikbaar zijn. De auteurs beargumenteren dat deze data de journalisten aanzet om de selectie van het nieuws en de manier van berichtgeving af te stemmen op de voorkeuren van hun publiek.

Dit alles leidt tot de algemene conclusie dat we sociale media niet als neutrale platformen mogen beschouwen (iets wat de techno-optimisten die dromen van een democratisering van het nieuws als gevolg van sociale media veronderstellen), maar als technische en complexe platformen die door de algoritmen en gebruikersdata een grote invloed hebben op de nieuwsagenda.

Andere techbedrijven

Nu ik dit schrijf, merk ik dat de boventitel van hoofdstuk 16 (Google en Facebook bepalen het nieuws) ook, of misschien zelfs beter, boven hoofdstuk 18 zou hebben gestaan, omdat het in het laatste hoofdstuk nog meer dan in het eerste gaat over de manier waarop belangrijke platformen de nieuwsselectie en berichtgeving bepalen, of minstens beïnvloeden.

Als de auteurs in de toekomst nog een nieuwe herwerkig plannen, zou ik voorstellen om niet alleen op sociale media te focussen, maar ook andere dominante spelers zoals Apple, Google en Amazon in het verhaal te betrekken. Het uitgangspunt zou kunnen zijn dat deze spelers – die traditiegetrouw focussen op niet-journalistieke producten – nieuws gebruiken om hun product te promoten en advertentie-inkomsten te genereren.

Concurrentiestrijd

De auteurs zouden in deze context zelfs nog een stapje verder kunnen gaan, en bestuderen hoe de dominante spelers in een onderlinge concurrentiestrijd verwikkeld zijn en elkaar de spreekwoordelijke loef proberen afsteken.

Apple bijvoorbeeld vindt digitale journalistiek belangrijk omdat het zo via de app store nieuwsproducten kan verkopen en iPads aan de man of vrouw kan brengen waarop bijvoorbeeld longreads beter tot hun recht komen. Maar tegelijk bieden ze in hun nieuwste IOS besturingssysteem een adblocker aan om online advertenties te blokkeren, wat geen goed nieuws is voor pakweg Google dat zijn inkomsten voor een groot stuk uit advertenties haalt, noch voor online nieuwsmedia die op hun site reclame aanbieden.

Of hoe grote e-shops zoals Amazon een gevaar betekenen voor (lokale) kranten omdat ze, zoals Jeff Jarvis onlangs nog beargumenteerde, nefast kunnen zijn voor lokale winkels en dus onrechtstreeks voor een daling van reclame-inkomsten zorgen. En dus ook niet als neutrale spelers kunnen beschouwd worden.

Een bespreking van de invloed die van elk van deze spelers op het nieuws uitgaat en de manier waarop ze elkaar beconcurreren en nieuws daarbij als munitie gebruiken, kan voor studenten journalistiek en onderzoekers van pas komen om het huidige en toekomstige nieuwslandschap beter te begrijpen.

Lees op DNR ook de andere recensies van hoofdstukken uit Journalistieke Cultuur in Nederland.

Nog geen reactie — begin de discussie!