De afgelopen maanden verschenen 11 recensies van hoofdstukken uit de vorig jaar, onder redactie van Jo Bardoel en Huub Wijfjes gepubliceerde, bundel Journalistieke Cultuur in Nederland. De redacteuren reageren nu op die recensiereeks.

Het is mooi dat De Nieuwe Reporter het initiatief heeft genomen om hoofdstukken uit onze bundel te laten recenseren. Wij delen de mening van de redactie dat zoiets een goede bijdrage is aan het noodzakelijke debat over de toekomst van de journalistieke professie.

[Kijk hier voor een overzicht van alle recensies van hoofdstukken op DNR.]

Het is opmerkelijk dat we voor dat doel niet meer kunnen vertrouwen op de dag- of weekbladen. Uit eigen ervaring weten we dat bij het verschijnen van boeken en bundels met reflecties op de journalistiek, die bladen standaard uitpakten met een bespreking. Doorgaans ongenadig en met veel vertoon van ’wij weten zelf wel wat goed is voor de journalistiek’, maar in ieder geval met een bereidheid om kennis te nemen van en van gedachten te wisselen met.

Gebrek aan recensies en debat

Dat was, maar is bepaald niet meer gebruikelijk. Van onze bundel verscheen tot op heden geen enkele recensie in dag- of weekbladpers. Hetzelfde lot trof ook andere recente academische publicaties over de journalistiek. Het toch niet irrelevante onderzoek van KRO/NCRV-mediadirecteur Taco Rijssemus naar de rekbare waarheid in de journalistiek, werd grotendeels genegeerd. De recente reflectie van oud-hoogleraar Jan van Cuilenburg op de filosofische wortels van waarheidsvinding in de journalistiek trok nog geen aandacht van dag- of weekbladen.

Dit gebrek aan recensies en debat wil overigens niet zeggen dat voor dergelijke boeken geen enkele belangstelling bestaat. Onze bundel kent reeds een tweede druk. Op vrijwel elke journalistieke opleiding vindt het blijkbaar een nuttige weg. Waarbij we wel aantekenen dat aan de andere kant van het publiciteitsspectrum – de wetenschappelijke recensie – ook weinig wordt vernomen. De academische wereld internationaliseert namelijk in snel tempo, met als gevolg dat Nederlandstalige recensies van Nederlandstalige boeken – hoe relevant en belangrijk ook – hun waarde lijken te hebben verloren.

Laten we hopen dat de werelden van universiteit en journalistiek die de laatste dertig jaar toch aanzienlijk dichter bij elkaar zijn gekomen, niet opnieuw scheiden, door bijvoorbeeld verder doorgedreven wetenschappelijke specialisatie en de verplichting om, na het onderzoek, ook alle (universitair) onderwijs in het Engels te verzorgen.

Ook al staat de journalistiek onder invloed van technologische en economische factoren die internationaal overal spelen, de manier waarop media, mediabeleid en mediaorganisaties specifiek zijn georganiseerd en de verhouding van journalisten tot publieksgroepen specifiek vorm heeft gekregen, zijn veelal in hoge mate gekleurd door nationale of regionale (Europese of lokale) omstandigheden. Dat onderstreept een blijvend belang voor wetenschappelijke bijdragen op nationale basis aan het debat over media en journalistiek.

Algoritmische journalistiek

Mede daarom zijn we erg blij met de reeks besprekingen van hoofdstukken op dit blog. Helaas is niet van elk hoofdstuk een recensie gemaakt. Dat is opmerkelijker dan het lijkt, want over sommige bijdragen hadden we juist een pittige discussie verwacht. De bijdrage van de nieuwe KNAW-president José van Dijck (samen met Thomas Poell) bijvoorbeeld is niet alleen de moeite waard door haar institutionele positie als machtigste wetenschapper in Nederland. Hun kritische benadering van de ‘algoritmische journalistiek’ en het daarachter schuilende blinde vertrouwen van sommige journalisten in datagedreven journalistiek en de inhoud van sociale media, verdient toch meer dan een schouderophalen.

Van Dijck en Poell snijden misschien wel het belangrijkste probleem aan waarmee de journalistiek van de 21ste eeuw te maken heeft en gaat krijgen. Is hun conclusie dat ‘intensief gebruik van sociale media haaks staat op het democratische ideaal van de journalistiek als politieke waakhond en als motor van een geïnformeerd publiek debat’ echt zo irrelevant? We nemen aan dat over zoiets wezenlijks wel wat gedachten leven in de wereld van wetenschap en journalistiek die juist een nieuwe, veel meer participatieve, democratie zien opdoemen bij een verdringing van traditionele door sociale media.

Opmerkelijk in dit verband is ook het ontbreken van een recensie van de prikkelende (om niet te zeggen: provocerende) beweringen van hoogleraar Journalistiek Mark Deuze over de totale vervloeiïng van mediaproductie en media-inhoud tot een leven in (en niet slechts met) media. Die vervloeiïng roept tal van vragen op over het belang van journalistieke routines en conventies. Volgens Deuze leidt het zelfs tot het verlies van ‘de geprivilegieerde positie van journalisten’, een omschrijving die ook betrekking heeft op het verschuiven van de waakhondfunctie van journalistiek naar publiek. Laten journalisten zich dit gewoon maar zeggen?

Roepende academici

Want journalisten blijven in elk geval op de bekende manier beweren dat die academici maar gewoon wat roepen dat geen enkele band heeft met de praktijk omdat ze zelf nooit journalist zijn geweest? Dat doet in ieder geval Hans Laroes in zijn bespreking van Nico Droks bespiegeling over ‘publieksjournalistiek’. Nu lijkt daar in dit  geval misschien iets voor te zeggen, omdat de idealistische publieksjournalistiek zijn beste tijd lijkt te hebben gehad in al het moderne geweld van innovatieve en ondernemende journalistiek. Maar er zijn toch ook nog allerlei journalisten die, zoekend naar contact met het vervreemde publiek, pleiten voor meer ‘positieve’ of ‘constructieve’ journalistiek.

Dergelijke idealen roepen niettemin wel degelijk vragen op over hoe journalisten hun relatie tot het veranderende publiek vorm en inhoud geven (zie ook de bijdrage van Costera Meijer en Groot Kormelink). Misschien zelfs juist in een tijd dat de journalist zich als een ondernemer moet gaan gedragen. Over de noodzaak van de aloude waterscheiding tussen journalistieke inhoud en bedrijfsvoering, hoor je weinig meer in de hypeachtige sfeer die rondom de individueel scheppende start-ups wordt geschapen.

Mediahypes

Los van de bespreking van afzonderlijke bijdragen – of het ontbreken daarvan – kunnen in het boek en de besprekingen een aantal voor de journalistieke toekomst belangrijke thema’s onderkennen. De term hype viel al, en in het Nederlandse taalgebied is dat nauw verbonden met de onderzoekspublicaties van Vasterman. De versnelling en hyperventilatie van nieuwsprocessen kwam in eerste instantie voort uit een combinatie van technische mogelijkheden en commerciële drijfveren, en krijgt in het tijdperk van internet en sociale media een nieuwe dimensie, omdat in recente nieuwsescalaties overdrijving, onwaarheid en onderbuik een nog krachtiger amalgaan aangaan.

Het lijkt ons overigens een goede zaak om de typering van recente trends zoals mediahypes, medialogica en framing en verwante begrippen (zie de boekbijdragen van Brants, van Vliegenthart en van Van Santen) met elkaar te verbinden waardoor ze aan analytische en verklarende kracht winnen.

Ondernemende journalistiek

Stellig het meest besproken thema in de bundel, en zeker in de besprekingen, is ondernemende journalistiek, als nog wat diffuus panacee voor een geplaagde professie (zie de bijdragen in het boek van Leurdijk en Leendertse en van Witschge en Schram). Op de keper beschouwd betreft dit het toelaten en prioriteren van zakelijke en economische afwegingen in inhoudelijke en redactionele aangelegenheden, een vermenging die voorheen een doodzonde was, maar waaraan nu geen ontkomen meer lijkt. Journalistiek ondernemerschap biedt – zo laten zowel bundel als besprekingen zien – grote nieuwe mogelijkheden, en er wordt terecht volop mee geëxperimenteerd.

Maar er zijn ook belangrijke grenzen van journalistieke onafhankelijkheid die niet overschreden mogen worden omdat anders de professie haar belangrijkste pasmunt verspeelt, haar geloofwaardigheid. Maar evenzeer blijkt dat eenvoudige, institutioneel verankerde scheidslijnen in de nieuwe realiteit niet meer werken. Die vragen om veel meer in individueel ethisch besef verankerd maatwerk.

Nog grotere dilemma’s zullen opduiken als de journalistieke selectie in handen komt, als men die uitdrukking dan nog kan gebruiken, van computers en robots, en de prioriteiten in de nieuwskeuze onverkort komen te liggen bij de voorkeuren van afnemers en adverteerders. Dan kunnen de inzichten over de werking en ontwikkeling van mediahypes wel eens een verrassend nieuwe betekenis gaan krijgen, want morele en emotionele publieksvoorkeuren zijn daarin drijvende en richtinggevende krachten.

Objectiviteit

Naast onafhankelijkheid is objectiviteit een kernthema in de journalistiek. In de nogal stevige bespreking van Vasterman over de bijdragen van Broersma en Harbers wordt duidelijk dat er niet alleen tussen academici en praktijkmensen, maar ook tussen academische beschouwers onderling – tussen positivisten en constructivisten en, deels overlappend, tussen empirische en essayistische academici – sprake is van een heftige schoolstrijd die volgens ons overigens wel helpt voor een helder debat.

Als samenstellers hebben we hierin niet willen kiezen, maar eerder het hele palet aan journalistieke studies in Nederland willen laten zien. Deze nooit eindigende discussie over het belang van objectiviteit, zowel in de wetenschap als in de professie, heeft er – samen met andere ontwikkelingen – wel aan bijgedragen dat de verantwoording over de kwaliteit van de journalistiek gaandeweg verschuift van het product naar het proces. In dit verband wordt transparantie van het journalistiek werken een belangrijker thema, zoals ook blijkt uit de bijdrage van Groenhart.

Geschiedschrijving

Naast de aandacht voor journalistieke kernthema’s blijft in deze bundel ook aanwezig wat in de eerste uitgave nog dominant was: de geschiedschrijving van media en journalistiek die het waard is om doorgegeven te worden aan nieuwe generaties journalisten.

Opvallend is dat in verschillende bijdragen, over de journalistieke professie door Van Vree en Azough, over de televisiejournalistiek van Vos, over fotojournalistiek van Kester en Kleppe en ook in onze inleiding tot de bundel op het eerste oog verschillende periodiseringen gepresenteerd worden die bij nader inzien sterk overeenkomen, al was het maar omdat ze in belangrijke mate ook parallel lopen met de bredere ontwikkeling van technologie en maatschappij.

Volop diversiteit

Het nieuwe boek laat zien dat de bestudering van de journalistiek inmiddels een huis met vele woningen is. Uiteenlopende disciplines – geesteswetenschappers zoals historici en cultuurwetenschappers en maatschappijwetenschappers zoals communicatiewetenschappers, politicologen en sociologen – houden zich met de studie van journalistiek en media bezig.

Daarnaast betoont ook de praktijk zich een actieve partner die zich, zo moge ook blijken uit de recensies, niet willoos op de wetenschappelijke slachtbank laat leggen. Vooral via docenten en onderzoekers aan hogescholen journalistiek leveren zij zelf inmiddels ook een belangrijke bijdrage in de vorm van praktijkgerelateerd onderzoek (zie de boekbijdragen van Bakker, van Drok en van Groenhart).

Al met al biedt dat een interessanter speelveld dan in de periode die nog niet zo lang achter ons ligt, en waarin de professie veelal nog het voorrecht had het eigen vlees te mogen keuren. Journalistieke opleidingen melden in hun doelstellingen dat ze, gelet op de onzekere maar uitdagende toekomst van de professie, eerst en vooral ‘reflective practitioners’ willen opleiden. De nieuwe generaties journalisten, of hoe we ze ook zullen mogen noemen, hebben veel minder behoefte aan valse zekerheden dan aan een goed overzicht van de belangrijkste thema’s en dilemma’s die voorliggen. Daaraan komt deze bundel, met een staalkaart van journalistieke studies in dit land, naar ons idee stellig tegemoet.

 

Nog geen reactie — begin de discussie!