Journalist Michel Spekkers belandde afgelopen vrijdag pardoes in de Turkse staatsgreep. Als westerse journalist kun je op zo’n moment livestreamen met Periscope beter laten.

Ik was halverwege mijn overheerlijke toetje – een Kunefe – toen de eerste meldingen van een staatsgreep binnenkwamen. Ik was de uren daarvoor net buiten het centrum van Gaziantep met twee doctoren in gesprek geweest over de gezondheidszorg in Turkije. Voornamelijk die voor de ruim 3 miljoen vluchtelingen die Turkije momenteel opvangt.

Ga terug naar je hotel

Straten waren afgesloten, bruggen bezet en straaljagers en helikopters zouden laag over Istanboel en Ankara vliegen, volgens de eerste berichten. Snel besloten we ons gesprek af te sluiten en ieder onze eigen weg te gaan.

Men adviseerde me terug te gaan naar mijn hotel. Ik besloot naar het hoofdbureau van politie te gaan. Ik dacht dat als er in Gaziantep, een plaats een uurtje van de grens met Syrië, iets stond te gebeuren, de eerste tekenen daarvan daar zichtbaar zouden zijn. Ik besloot toe te kijken vanaf een trappetje van een gesloten restaurant aan de overkant van de straat.

Erdogan: Ga de straten op

Veel auto’s kwamen met hoge snelheid bij de hoofdingang aangereden en er werd druk gediscussieerd. Niet veel later verkondigde Erdogan op TV dat er een staatsgreep gaande was. Hij verzocht mensen de straten op te gaan.

De eerste toeterende auto’s verschenen voor het politiebureau. Mensen hadden vlaggen bij zich en schreeuwden liefdesbetuigingen voor hun president.

In een mum van tijd leek de hele stad zich naar het centrum te begeven, wegen raakten verstopt en mensen gingen al schreeuwend ter voet verder. Ik besloot mijn post bij het politiebureau te verlaten en de mensenmassa naar het centrale plein van Gaziantep te volgen.

Toen ik aankwam bij het centrale plein stond het al halfvol. Erdogan had net aangeven dat de coup mislukt was, maar riep de Turken ook op naar de straten en de pleinen te blijven gaan. Mensen op het plein gingen uit hun dak en de demonstratie begon steeds meer het karakter van een waar volksfeest aan te nemen. Gaziantep, een pro-Erdogan-stad, ging los.

Beeld: Michel Spekkers
Het centrale plein van Gaziantep, vol met Erdogan-aanhangers. Foto: Michel Spekkers.

Aangevallen

Ik was de ochtend ervoor aangekomen in Gaziantep om een aantal verhalen te schrijven over Turkije en Syrië. Een staatsgreep had ik, net als denk ik iedereen op dit plein, niet zien aankomen. Ik besloot met behulp van een tolk met wat mensen te praten.

Ondanks alle hektiek ging alles in eerste instantie heel gemoedelijk. Mensen op het plein waren net zo vriendelijk, open en gastvrij als ik ze de afgelopen dagen had leren kennen. Ik besloot op eigen houtje een rondje te doen rondom het plein en vond het wel een aardige gedachte een livestream te starten via Periscope. Een kleine acht minuten ging dat goed, tot twee mannen in een rechte lijn op me af kwamen lopen. Terwijl de ene man mijn telefoon probeerde af te pakken gaf de ander mij de eerste stomp.

Klap op mijn oog

Zonder tolk in de buurt trachtte ik uit te leggen wie ik was, maar voor ik het wist kwam de tweede klap recht op mijn oog. Ik probeerde weg te lopen naar de straat achter mij, werd omver geduwd, stond op en probeerde me een weg te banen tussen de auto’s de stil stonden op de straat.

De twee mannen waren nu vijf mannen geworden, ik voelde nog een trap en bevond me ineens tussen twee auto’s op de grond. Op het moment dat een jongen tussen mij en de mannen ging staan, zag ik mijn kans schoon snel weg te sprinten richting het hotel.

Ik besloot de rest van de avond de informatie via Twitter en TV te volgen. Aan de stroom mensen richting het centrum leek geen einde te komen. Lang bleef het onduidelijk of de coup nu echt mislukt was en als snel kwamen de eerste theorieën op tafel, waaronder de mogelijkheid dat Erdogan dit allemaal zelf gedaan zou hebben. Om 4:41 uur besloot ik dat het tijd was om te gaan slapen.

Het feestje gaat door

De volgende ochtend nam ik de schade op, het viel gelukkig mee. Met een blauw oog, wat schaafwonden en wat last van mijn ribben, besloot ik mijn dag weer te beginnen op het centrale plein van Gaziantep. Het stond er nog vol. Het leek wel of de mensen niet meer weg waren gegaan en onvermoeibaar door gingen met feestvieren.

Mijn oorspronkelijke plan, voor de poging tot staatsgreep, was om naar Nizip te gaan. Nizep is een plaats een uurtje ten oosten van Gaziantep, waar één van de vluchtelingenkampen ligt. Ik en mijn tolk besloten het plan door te zetten. Na een uur in een tjokvol busje gezeten te hebben, kwamen we aan in Nizip. Het was 41 graden buiten.

Na wat rondvragen kwamen we er al snel achter dat het zo goed als onmogelijk was vandaag naar het kamp te gaan. Overheidsinstellingen waren gesloten en het kamp was door de gebeurtenissen afgesloten voor buitenstaanders.

We besloten terug te gaan naar Gaziantep om te kijken hoe de situatie op het centrale plein was. Erdogan had mensen opgeroepen op de straat te blijven, ook de moskeeën herhaalden deze oproep via hun luidsprekers. Op mijn Turkse telefoon ontving ik een sms-bericht met dezelfde boodschap ‘kom naar de pleinen, ga de straten op’.

Weer aangevallen

Het plein was inmiddels bijna omgetoverd tot een waar evenemententerrein. Kraampjes en een podium waren verrezen en een hoogwerker met een grote Turkse vlag stond midden op het plein. Ik werd uitgenodigd gebruik te maken van de wagen van de hoogwerker om van bovenaf foto’s te maken van de menigte.

Toen ik van de hoogwerker afstapte werd ik aangekeken door vier boze mannen. Ik had geen idee wat ze tegen me schreeuwden en mijn tolk stond nog aan de andere kant van de hoogwerker.

Vrij snel stond er een politieagent naast me en terwijl hij om mijn papieren vroeg ontstond er een schermutseling. Ik kreeg wederom een paar klappen en werd tegen de hoogwerker aangeduwd. Ik moest van de politie meelopen. Een agent pakte mijn arm vast en duwde me in de richting van een kleine politiepost net buiten het plein. Gelukkig zag mijn tolk het gebeuren en liep discussiërend met de agent met ons mee.

Achter ons begon het officiële gedeelte van het programma.

De overheidsmedewerkers

Vrij snel kwamen er een aantal andere overheidsmedewerkers in burgerkleding bij ons staan. Ze vroegen mij – en voornamelijk mijn tolk – de oren van ons hoofd. Mijn apparatuur, paspoort en perskaart moest ik afstaan. Via de portofoon volgde een reeks vragen en opdrachten. Later zou ik van mijn tolk horen dat ze haar vroegen hoe ze wist dat ik niet zoals alle andere westerse journalisten was, hoe ze wist dat ik te vertrouwen was, wat we allemaal gedaan en gezien hadden en met wie we in gesprek waren geweest.

Terwijl agenten door mijn telefoon scrollden, mijn berichten probeerden te lezen en mijn foto’s bekeken, probeerde ik me te herinneren of ik er geen belastende dingen op had staan. Ik zag een foto van de kaart van Syrië voorbij komen met de huidige stand van zaken betreffende de machtsverhoudingen, ik slikte even en mag van geluk spreken dat de overheidsmedewerker op dat moment afgeleid werd door een massa mensen die richting de poort waar we staan komen lopen.

Het spervuur aan vragen

Er komen meer en meer overheidsofficials in burger bij, mijn tolk krijgt een spervuur aan vragen te verduren. Ik zie dat ze zich goed houdt, maar zich wel zorgen maakt. Ik versta geen klap van wat er allemaal gebeurt en vertrouw maar op de goede afloop.

Het wordt me duidelijk dat de agenten weten van het voorval van de avond ervoor en dat ze niet begrijpen waarom ik nadien weer terug ging naar dezelfde plek. De mensen die me nu twee keer hebben aangevallen, blijken bij een groep te horen die een schurfthekel heeft aan journalisten, zeker westerse. We verspreiden leugens of werken voor andere overheden, aldus één van de officials.

Ze kennen je nu, blijf weg

Mijn papieren blijken in orde en na ruim een uur mogen we gaan. Voor we weg mogen vraagt een official zich af waarom we ons niet gemeld hebben bij het persbureau. Daar zou ik hulp kunnen krijgen. ‘Dat hoor je te weten als een journalist’, zegt de official. Ook raad hij me aan niet meer terug te komen naar het plein. ‘Je bent bekend nu’.

Ik besluit tegen de gewoontes en cultuur alhier in op zoek te gaan naar een biertje. Na een goed gesprek met een bartender, besluit hij dat ik niet alleen terug mag naar het hotel. Een paar blokken buiten het centrum staan de straten nog bomvol met toeterende auto’s en schreeuwende mensen. Het feestgevoel lijkt om te slaan naar een grimmige, bijna angstaanjagende sfeer.

De bartender heeft twee vrienden gebeld. Twee ‘beveiligers’. Een half uur later baan ik mezelf met die twee een weg door de mensenmassa richting het hotel. De medewerkers van het hotel, die ondertussen op de hoogte zijn van de gebeurtenissen eerder die dag, maken zich zorgen. Meer zorgen dan ik me op dat moment zelf maak.

We gaan de volgende dag, indien mogelijk, naar Killis, een dorp ten zuiden van Gaziantep pal op de grens met Syrië. In de bus richting Killis vertelt mijn tolk meer over de gebeurtenissen van de afgelopen tijd. Het grensdorpje is meerdere malen doelwit geweest van raketaanvallen vanuit Syrië. In de eerste vijf maanden van dit jaar zijn daar minimaal 20 bewoners door omgekomen. Ze heeft daar familie wonen die ons de dag verder begeleidt.

Vijf minuten van Syrië

De mensen in Killes zijn niet bang. Niet bang voor de toekomst, niet bang voor de oorlog, bang voor niets. God zal het bepalen, is het antwoord dat ik van iedereen krijg. Syriërs en Turken schijnen als gebroederlijk samen te wonen. Niemand die ik spreek denkt er ook maar aan vluchtelingen niet meer toe te laten. Toch lijkt de overheid daar anders over te denken. De afgelopen maanden is er op de grens met Syrië een grote muur gebouwd, zijn de regels voor toelating verscherpt en worden vluchtelingen apart gehouden van bewoners. Zo mogen ze niet zo maar de kampen verlaten en mogen de al langer aanwezige vluchtelingen alleen tussen steden reizen met toestemming.

Bij een theehuis raak ik in gesprek met een aantal Syrische vluchtelingen. Eén van hen is een handelaar. Hij is hier sinds zes maanden en heeft wat meer rechten dan een gemiddelde vluchteling. Door zijn positie als handelaar is het hem bijvoorbeeld toegestaan om heen en weer over de grens te gaan. Hij nodigt me uit met hem mee te gaan, als ik de noodzakelijke papieren op orde krijg. In het gesprek komen de gruwelijkheden van het hedendaagse Syrië op tafel. Met ondersteuning van foto’s en videos van gebeurtenissen vraagt de handelaar zich hardop af waar wij in Europa mee bezig zijn. We zouden dingen alleen maar erger maken dan ze al zijn.

Politie voor het hotel

s’ Avonds terug in Gaziantep in mijn hotelkamer, stopt er een politiewagen voor de deur van het hotel. Twee politiemannen stappen uit en lopen naar de voordeur. Ik zou zweren dat ze iets zeggen met het woord Hollander.

Buiten het hotel beweegt zich een oneindige mensenmassa richting het centrale plein. En zo val ik in slaap, in de hoop dat ik niet weer verrassingen mee zal maken deze nacht.

Nog geen reactie — begin de discussie!