Met zijn 45 jaar journalistieke ervaring geldt Serviër Boško Jakšić als een van de meest prominente figuren in het journalistieke landschap van ex-Joegoslavië. Zoran Bogdanović sprak met de inmiddels gepensioneerde Jakšić. “Vaderlandslievende journalistiek is populairder dan ooit.”

Perugia, 7 april 2016. In een volle zaal komen vier journalisten uit Kroatië en Servië vertellen over de staat van de journalistiek in de regio, vroeger en nu. Positief zijn ze niet, met de nadruk op de doorgewinterde Boško Jakšić. Hij hekelt de ‘vaderlandslievende journalistiek’. Deze woorden zetten me aan om een gesprek met hem aan te gaan.

U had het zojuist over het begrip ‘vaderlandslievende journalistiek‘, kunt u dit verder toelichten?

“Dit gebeurt wanneer media zich gedragen als de uitgestoken arm van een regering, iets wat nog steeds zeer actueel is. Bij dit begrip denken mensen aan staatspropaganda zoals in de voormalige Sovjet-Unie. Toch is het in Amerika ontstaan rond de jaren ’20 van de vorige eeuw, ten tijde van de Red Scare.”

Kunt u een voorbeeld noemen van ‘vaderlandslievende journalistiek’?

“Die zijn er genoeg, je hoeft maar om je heen te kijken. Zie Iran: decennia lang berichten de media over een land vol met bloeddorstige monsters die als enig doel hebben om een atoombom op ons te gooien. Één nucleaire deal later en dat beeld begint weg te kwijnen. Dat is ‘vaderlandslievende journalistiek’, of ja, het misbruik ervan.”

Waar wordt dit toegepast?

“Overal ter wereld. Neem nou David Halberstam. Hij was ten tijde van de Vietnam-oorlog verslaggever in dat land en schreef kritische teksten over de rol van de Amerikaanse regering in de oorlog. Zijn anti-war-standpunten werden razend populair. Zo populair dat John F. Kennedy hem teruggestuurd naar de V.S. wilde hebben. Hij was niet vaderlandslievend bezig, volgens de politiek.”

Ziet u hier geen ironie in, aangezien Halberstam’s doel ongetwijfeld was om de oorlog te stoppen?

“De ironie hierbij is natuurlijk dat journalisten vaak wél vaderlandslievend bezig zijn, terwijl ze als verraders bestempeld worden door politici en delen van het volk.”

In de eerste achttien jaar van uw loopbaan had u daar vast weinig last van, aangezien u op de loonlijst stond van de Joegoslavische staatskrant Politika.

“Dat klopt. Ten tijde van het socialisme was het allemaal simpel in Joegoslavië. Van twee onderwerpen bleef je af: Tito en de Partij. Elke journalist in het land wist dat en daar bleef je vanaf. Zolang dat gebeurde, was je veilig. Je censureerde jezelf.”

U bent dus deel geweest van de propagandamachine waar u nu kritiek op geeft?

“Ergens wel, ja. Aan de andere kant was ik buitenlandcorrespondent en berichtte ik niet bijster veel over binnenlandse zaken, wat betekende dat ik redelijk objectief verslag kon doen. Door de unieke geopolitieke positie van Joegoslavië kon je als journalist toentertijd vrij kritiek geven op de Sovjet-Unie en de V.S.; een luxe die veel staatsmedia aan beide kanten van het IJzeren Gordijn niet hadden. Toch moest ik af en toe wel opletten, bijvoorbeeld als ik schreef over Palestina. Tito en Arafat waren namelijk goede vriendjes.”

Is vaderlandslievende journalistiek soms niet nodig, om het uiteenvallen van een land of systeem te voorkomen, zie Joegoslavië?

“Nee, want dat betekent dat dat systeem niet deugde vanaf het begin. Een journalist die zichzelf verkoopt aan politici, kan zijn ziel net zo goed verkopen aan de duivel.”

Toen Joegoslavië uit elkaar begon te vallen en de oorlog begon, veranderden de levens van velen drastisch. Hoe zat dat bij u?

“Met het uiteenvallen van het land werden ook vele posten bij de buitenlandredactie van Politika geschrapt. Zo ook de mijne, en belandde ik in 1992 in Bosnië, waar de oorlog was uitgebroken.”

U werd buitenlandcorrespondent in eigen land?

“Zoiets, ja. Het was pure chaos. Niemand wilde me van A naar B brengen, dus ik sprong maar in trucks waarin soldaten vervoerd werden. Hierdoor zag ik het ware gezicht van de oorlog: rijen van krijgsgevangenen, uitgemergelde gezichten en sporen van oorlogsmisdaden. Hier schreef ik dan ook over, totdat Ratko Mladić (opperbevelhebber Servische troepen in Bosnië, momenteel berecht in Den Haag voor oorlogsmisdaden, red.) me opbelde met de woorden ‘Als ik je nog een keer zie in Bosnië, **** ik je moeder!’. Vrij vertaald: als ik daar nog ooit terugkwam zou ik hoogstwaarschijnlijk onder ‘verdachte omstandigheden’ zijn geliquideerd. Iets wat wel vaker gebeurde met ‘verraders’ ten tijde van de oorlog.”

Hoe kan het überhaupt dat u die verhalen kwijt kon in een krant die erom bekend stond om, vooral ten tijde van de Joegoslavische oorlogen, het schoothondje te zijn van het Servisch-nationalistische regime van Milosević?

“Als je zo lang bij een krant werkt bouw je een reputatie op. Puur door mijn naam kon ik schrijven wat ik wilde. Een andere journalist was waarschijnlijk ontslagen, of erger.”

“Daarnaast had ik een heel sluwe hoofdredacteur. Zij is het typische voorbeeld van een ‘vaderlandslievende’ journalist. Toen nationalisme het socialisme verving in politiek Servië, gebruikte ze mij als alibi om te laten zien dat de Politika géén nationalistische agenda had. ‘Kijk,’ zei ze tegen critici, ‘die Jakšić mag bij ons schrijven wat ‘ie wil!’ Ik wist dat ze me gebruikte, maar ik vond het prima zolang ik mijn verhalen kon publiceren.”

Nu werd u inmiddels wel als verrader bestempeld. Schrijven over home-made oorlogsmisdaden werd vast niet als vaderlandslievend gezien in de jaren ’90.

“Dat klopt. Het is niet fijn om bespuugd en uitgescholden te worden op straat. Het meest opmerkelijke was toen een oude, op het eerste gezicht nette dame, naar me toe kwam en me recht voor mijn ogen vertelde dat ik als een varken aan het spit geroosterd moest worden. Ook politici en andere media voerden campagnes tegen mij. Ik werd bestempeld als een Amerikaanse spion.”

U hebt ook over Servische oorlogsmisdaden in Kosovo geschreven. Vindt u de NAVO-bombardementen die als reactie daarop volgden rechtvaardig?

“Nee. De vijand was Milosević, en niet het hele Servische volk. De mediacampagnes die in het Westen tegen ons werden gevoerd zijn precies wat ik bedoel met ‘vaderlandslievende journalistiek’. Mijn vrouw was ten tijde van de bombardementen in Italië en las me krantenkoppen voor via de telefoon: ‘Servische monsters …’ en ‘Serviërs doden zelfs puppies’. Om maar aan te tonen met wat voor christelijk-orthodoxe extremisten de internationale gemeenschap te maken had. Ik ben er sterk van overtuigd dat dit soort teksten als doel hadden om een heel volk te de-humaniseren en het publiek klaar te maken voor een bommencampagne.”

Speelde het westen volgens u een rol bij het uiteenvallen van Joegoslavië? 

“Ik wil voorop stellen dat ik Milosević, Tudjman en Izetbegović (de leiders van respectievelijk Servië, Kroatië, Bosnië na de eerste democratische verkiezingen, red.) in die volgorde als hoofdverantwoordelijken zie voor het conflict. Maar dat betekent niet dat zij de enigen zijn met bloed aan hun handen.”

“Zo zat ik twee jaar geleden koffie te drinken met Gianni De Michelis, die in 1990 minister van buitenlandse zaken van Italië was en lid van het Europees parlement. In dat jaar vroeg de federale regering van Joegoslavië, onder leiding van Ante Marković, om een lening van vier miljard Deutsche Mark aan de EU. Het doel was om de sociale onrust in het land in toom te houden en een aankomende oorlog te voorkomen. Want een land dat economisch stabiel is, zal minder snel afglijden tot de verschrikkingen van oorlog. De lening kregen ze niet, en minder dan een jaar later werden de eerste schoten in Kroatië gelost. De Michelis had dit kunnen voorkomen door Joegoslavië de lening te verschaffen.”

“Toen ik hem sprak en hem confronteerde met de fout die hij had gemaakt, gaf hij nonchalant toe: ‘Ja, dat was een fout’. Hij staarde me schaapachtig aan, terwijl ik hardop nadacht: ‘Meer dan honderdduizend doden, miljoenen die hun huis hebben verloren, een land in puin en jij praat hier zo nonchalant over?!’. Dat zet je wel aan het denken over de wereld waar we in leven.”

Als we zelfs al de westerse politici en media niet kunnen vertrouwen, wie dan wel?

“Niemand. Ik geloof niet in onafhankelijke journalistiek. Elk medium heeft een eigenaar, alleen zijn ze er in sommige landen opener in om dat toe te geven dan elders.”

“Kijk maar naar Amerika, ook daar kan je niet zomaar schrijven wat je wil: voor elke verkiezingen kiezen de Washington Post en de New York Times duidelijk een kant: die van de Democratische kandidaat. Toen ik in Amerika was hoorde ik first-hand een voorbeeld van een beginnende journalist. Hij was joods en een aanhanger van de Republikeinse partij. Toen hij een artikel plaatste dat niet in de smaak viel bij de Democratische partij, belde zijn hoofdredacteur hem dezelfde dag op met de woorden: ‘Jongeman, zo gaat dit niet hé. Nog een keer en je ligt eruit!’ Voor zover het begrip onafhankelijke journalistiek.”

En hoe zit het met het begrip ‘onafhankelijke journalistiek’ in de Balkan regio?

“Dat bestaat net zo goed niet. Het grote verschil is dat je in het Westen van te voren weet vanuit welk standpunt een medium verslag geeft, terwijl op de Balkan de media meewaaien met de politieke wind. Zo kan je binnen tien jaar enorme verschillen in berichtgeving zien bij de mainstream media van een land. Vaderlandslievende media zijn nog steeds erg actueel.”

Zoals Servië, waarin het eind jaren ’90 hip was om nationalistisch te berichten. Daarna werd de berichtgeving over het algemeen pro-EU en nu zien we een shift naar pro-Rusland. Dat laatste lijkt ook te gebeuren bij B92, een medium dat bekend stond om haar kritische kijk op elke regering, ongeacht politieke stroming.

“B92 is dood. Het medium is opgekocht door een Griek, die door de regering voor de keus was gesteld: hij mocht twee van de vijf nationale tv-frequenties hebben, mits B92 braaf zou zijn en de nieuwe regering niet in het kwade daglicht zou zetten. Dat is hoe onafhankelijke media eindigen in deze regio.”

Is er nog wel hoop?

“Ik zie initiatieven als Al-Jazeera Balkans en N1 (Balkan-tak van CNN, red.) als een van de weinige bakens van goede hoop voor de onafhankelijke journalistiek in de regio, en dat terwijl ik een hekel heb aan CNN.”

“Maar het probleem zit hem ook in de jeugd. De stagiaires op redacties tegenwoordig… Ze kunnen niet wachten om elke dag om 5 uur naar huis te gaan. Dat kan zo niet, dat is geen journalistiek.  Echte journalistiek is adrenaline, het is een infectie.”

Nog geen reactie — begin de discussie!