Bij binnenkomst zit Jesse Frederik nog het laatste hapje van zijn ontbijt te eten. We hebben afgesproken bij de Ysbreeker aan de Weesperzijde, zo’n 100 meter naast het oude pand van De Correspondent. Frederik slaapt daar sinds kort op de oude ICT-afdeling en drinkt af en toe bier met de huurbaas die ook in het pand woont.

Interviews geven is niet iets wat hij graag doet. ‘Ik vind het moeilijker om over mezelf te praten dan over een echt onderwerp. Maar het is prima.’

Ooit begon hij als broekie bij Follow the Money (FTM), vervolgens werd hij vaste columnist bij de Groene Amsterdammer en nu is hij al enige tijd een bekend gezicht bij De Correspondent. In 2013 won hij samen met Eric Smit de journalistieke prijs De Tegel en afgelopen april ontving hij de aanmoedingsprijs van De Loep. Hij heeft geen journalistieke studie gevolgd.

Een gemis?

‘Oh nee dat denk ik echt niet. Beetje lullig om te zeggen misschien, maar bij De Correspondent werkt geloof ik één persoon die wel journalistiek heeft gestudeerd.’

Even later nuanceert hij: ‘Die master is misschien wel anders. Aan een hbo-journalistiek heb je volgens mij geen reet. Uiteindelijk komt het er toch op neer dat je het heel vaak moet doen en dan word je beter.’

Toch merk je als aankomend journalist dat er vaak om een dergelijk papiertje wordt gevraagd.

‘Dat is bullshit van de werkgevers, van die kranten, die denken dat iemand een papiertje nodig heeft voordat-ie iets kan. Dat was voor mij een voordeel bij FTM. Dat was zo’n anarchistische club. Ze hadden een vacature voor economiestudenten die passie voor het onderwerp hadden. Ik stuurde: “Ik ben geen economiestudent, ik heb niks gedaan, maar ik vind het wel leuk.” Toen zei FTM-hoofdredacteur Eric Smit: “Kom maar hier zitten.” Dan heb je in een keer wel journalistieke ervaring. En omdat het derde verhaal dat ik schreef die Tegel won, dan nemen in een keer al die hoofdredacteuren je wel serieus. Terwijl ik dacht: ik ben heus niet zo veel anders dan een half jaar geleden.’

Ik las dat je journalist wilde worden omdat je in je moeders kelder zat en je boos was en je wat wilde veranderen.

‘Ik mag van mijn moeder nooit meer zeggen dat het een kelder was, want dat was helemaal niet zo. Ik zat op één hoog op een kamer met een balkon, maar de gordijnen zaten vaak dicht dus het voelde als een kelder. Het was niet echt een plan ofzo. Ik moest echt wat doen, anders werd mijn moeder boos. Dus het was niet alsof ik er heel erg naar toe heb gewerkt om journalist te worden. Ik had geen werk en weer zo’n opleiding die gefaald was en ik vond economie heel erg leuk. Ik dacht: misschien ga ik later weer een opleiding doen, maar voor nu, voor het komende jaar ga ik dit doen.’

Want je had filosofie geprobeerd en de lerarenopleiding geschiedenis?

‘En pedagogiek.’

Waarom besloot je weg te gaan bij Follow the Money?

‘Toen, maar dat is nu wel minder, was het elke maand van: gaan we het overleven? Daarnaast waren we anders van insteek. FTM was meer van: we gaan deze persoon bij de knieën afzagen. Eric heeft dat sowieso heel erg. Hij loopt de kooi met iemand in en dan wil hij gewoon winnen. Ze hebben bij FTM de veronderstelling dat er heel veel kwaadwillende mensen in de wereld zijn en dat de oplichter elke keer om de hoek zit.

Waar ik steeds meer achter kom, is dat het vaak helemaal niet een zaak van kwaadwillendheid is, maar gewoon van “Goh, zo had ik er nog niet over nagedacht”. Het is vaak een beetje stupide waardoor slechte dingen in de wereld gebeuren, het is niet allemaal een soort complot. Ik denk dat veel grote onderwerpen zich niet lenen voor die kijk op de wereld. Verder is mijn grootste gebrek nooit de inhoud geweest, maar hoe ik het opschrijf. Bij FTM kunnen ze ook niet schrijven, dus daar werd ik niet beter van. Ik was heel loyaal geweest aan Eric omdat hij mij gered heeft, maar ik ging er niet vooruit.’

Moet FTM dan niet wat van De Correspondent leren?

‘Ja, maar Rob Wijnberg lanceert zo’n medium en zegt: “Hope and change. Je hebt geen idee wat het gaat worden, maar betaal maar.” Dan heeft hij ineens 18 duizend leden en dan kan je ook echt wat neerzetten. FTM heeft het probleem dat ze al langer bestaan. Dus iedereen denkt: “Oké, ga ik dan nu betalen voor dit?” Rob had gewoon in één keer uit het niks heel veel geld en kon een beeldredactie en een eindredactie betalen.’

Hoe vind je het werken bij De Correspondent?

‘Ten eerste groeien we, dat is leuk. Verder zitten we met een leuke club van mensen die allemaal wel echt dingen kunnen en die het werk ook leuk vinden. En gewoon alles wat je verzint, kan in principe wel. Ik zei een keer: “Kom Rutger, we gaan een podcast opnemen.” En dat zijn we toen gewoon gaan doen. Dat kan allemaal en daar hoeven niet honderd meetings met acht mensenlagen aan vooraf te gaan, want er is geen management. Ik denk niet dat zoiets kan bij de Volkskrant. Het is bij ons nog niet dicht gebureaucratiseerd.’

Vind je het niet lastig dat je niet buiten je correspondentschap economie kan schrijven?

‘Er is geen correspondentschap. Bij economie kan je alles erin flikkeren. Nu schrijf ik over het parkeerbeleid in Amsterdam. Parkeerbeleid, is dat economie? Geen haan die daarnaar kraait bij De Correspondent, zolang je maar een goed stuk schrijft.’

Voel je na een onderwerp waar je boos over wordt, de behoefte om te schrijven over een wat lichter, positiever onderwerp?

‘Ik ben wel meer van het lekker zeiken, ik denk dat dat sowieso wel een kwaaltje van journalisten is. Dat je vaak de lelijke dingen ziet.’

Je collega Rutger Bregman schrijft, wat positiever toch?

‘Ja, precies en ik bied daar een gezond tegengewicht aan. Hij is nu in Brazilië het deugd-evangelie aan het verkondigen. Maar het is niet alsof ik me ervan bewust ben, van: ‘Goh, nu weer iets vrolijks.’ Voor mij is parkeerbeleid lichte stof, want uiteindelijk gaat niemand hier echt van naar de klote. Ik ga nu niet tegenover iemand zitten die kapot is van de stress en zijn huis uit is geflikkerd en dakloos is. Dat is zwaar. Parkeerbeleid is licht verteerbare journalistiek.’

Krijg je wel eens negatieve reacties?

‘Tuurlijk.’

En bedreigende reacties?

‘Nee joh, ik schrijf toch niet over hoofddoekjes.’

Ik heb geen idee hoe snel je een bedreigende reactie krijgt als journalist.

‘Nou ja, ik ga nu over parkeerbeleid schrijven, dus misschien wordt dat de eerste doodsbedreiging. Na mijn artikel over blockchain waren mensen wel boos, maar niet echt boos. Het was meer van “Wat een onzin”, maar niet van “Ik weet waar je woont”.’

Denk je niet dat dat ligt aan het feit dat het bij de Correspondent 'preaching to the choir' is? Heb je niet soms bij een stuk dat je het wil schrijven voor een wat diverser publiek?

‘Het is wel waar wat je zegt, het zijn allemaal wel linkse mensen die De Correspondent lezen. Maar die stukken worden ook wel in bredere kring gelezen als het gewoon goed geschreven is. Dan haalt zo’n stuk 200, 300 duizend lezers. Maar misschien zijn dat ook allemaal linkse mensen.’

En hoe bereiken jullie dan mensen die zich niet als heel erg links profileren?

‘Ik denk dat het altijd wel een beetje in de taal zit. Ik kan me voorstellen dat als je gaat zeggen van “We gaan de straatnaamborden veranderen in vrouwennamen,”, je al 80 a 90% van de mensen kwijt bent. Dat klinkt gewoon heel erg linksig. Ik probeer in mijn stukken niet allemaal van die linkse signaalwoorden te gebruiken als ‘neoliberalisme’ en ‘marktwerking’. Ik probeer het gewoon zo concreet mogelijk te houden. Het hoeft niet per se linksig te klinken. Maar ja, misschien is de onderwerpkeuze dat dan wel al.’

En het medium zelf niet ook al?

‘Ja het medium zelf ook, maar goed daar kan ik niet zo veel aan doen. Ik probeer het te vermijden, maar ik doe het natuurlijk ook wel denk ik.’

Jullie trekken wellicht wel een breder publiek met de acties die jullie koppelen aan jullie onderzoek. Vinden jullie collega’s dat interessant of zijn ze meer van: Waar zijn jullie mee bezig?

‘Die vinden dat helemaal niks, maar dat hoeft ook niet. Ik merkte bijvoorbeeld bij het manifest schuldvrij dat andere journalisten de hele tijd gingen vragen: “Kan dat wel als journalist?” En niet over de inhoud van heel die campagne, terwijl iedereen in andere beroepsgroepen er geen enkel probleem mee had. Die hadden meer van: “Vertel, wat ga je doen?” Voor journalisten is het bizar allemaal en die denken dan: “Gaan mensen je nog wel vertrouwen? Krijg je dan geen problemen?” Maar dat is niet zo. Sterker nog, de deuren gaan alleen maar open. Ze willen juist met mij praten. Dus dat hele gevaar dat zij zien – dat je ongeloofwaardig wordt voor bronnen – is er niet. Het werkt juist heel goed dat wij de ‘hoe’ aandragen.’

Je bent eigenlijk altijd best wel eerlijk in interviews. Ik las bijvoorbeeld dat je had gezegd dat jij en Eric Smit gingen blowen voordat je De Tegel ging ophalen

‘Daarna! Daarna.’

…maar heb je daar wel eens problemen mee gehad?

‘Nou ja, soms. Soms ook wel eens dingen die ik over De Correspondent zeg. Dan zegt Rob Wijnberg: “Moet dat nou?” Maar eigenlijk niet echt problemen.’

En als het over personen gaat? Want bij de Rudi & Freddie Show noemen jullie mensen vaak bij naam en zeggen julile vaak ook wat jullie van die personen vinden.

‘Nou, andere media hebben sowieso wel een hekel aan ons, dus dat is meer een soort van gegeven. Bij mensen leert de ervaring dat het uiteindelijk ook wel weer grappig kan zijn. Ik kan het niet helemaal uitleggen, maar diegene weet dat je dan niet zo onder de indruk bent. Ik heb er nooit echt last van. Maar misschien wordt het een probleem als ik hier ooit ontslagen wordt. Mensen denken dat je niet negatief kan zijn over mensen, maar volgens mij kan dat best wel. Ik heb zelden dat deuren echt dicht gaan. Je moet er toch ook een beetje de humor van inzien?’

Maar jij doet het ook met humor. Niet iedereen kan dat, of doet dat.

‘Ja, hopelijk. Ik had wel eens bij een schuldig-ding dat ik had gezegd dat een man praatte als een wandelende dagvaarding. Hij had dat gelezen en vond het erg leuk. Daarna hebben we gewoon een biertje gedronken en daarna heeft hij nog enorm geholpen met schuldvrij. Zo kan het ook.’

Dit interview verscheen eerder op Queester.nl, de portfoliowebsite van masterstudenten Journalistiek en Nieuwe Media van de Universiteit Leiden.

Links uit dit interview

Charlotte Klein

Charlotte Klein is student van de master Journalistiek & Nieuwe Media aan de Universiteit Leiden.
Profiel-pagina
Nog geen reactie — begin de discussie!