In zijn nieuwste boek stelt publicist en journalist Jan Kuitenbrouwer dat wij aan de vooravond staan van een ‘datadictatuur’. De datadictatuur is een samenleving die geregeerd wordt door grote, ongereguleerde techbedrijven. Op basis van de sporen die wij online achterlaten kunnen zij ons koop-, stem-, kijk-, en luistergedrag voorspellen en sturen.

In de datadictatuur is ‘het internet’ alles behalve een ‘machtsvrije cyberspace’. In plaats daarvan, schrijft Kuitenbrouwer, in navolging van de Duitse filosoof Jürgen Habermas, is ‘het internet’ gekoloniseerd door kapitaal en politiek. De publieke sfeer bestaat online niet. Bovendien is het een plek waar anonieme onbeschaafde trollen de toon van het discours bepalen en nepnieuws de inhoud ervan.

Cultuurkritiek

Kuitenbrouwers essay is een staaltje broodnodige cultuurkritiek, net zoals Habermas dat gaf in zijn tijd, de tijd van de massamedia. Iedereen zou dit goed geïnformeerde en relevante boek moeten lezen. Te veel mensen hebben nauwelijks besef van, laat staan kennis over, de geschiedenis, ontwikkeling en invloed van internettechnologie op ons dagelijks leven, onze economie en onze democratie. Zelfs niet na het Watergate van onze tijd: het Cambridge Analytica-schandaal.

Kuitenbrouwer neemt de lezer aan de hand door de vroege webgeschiedenis en laat onderwijl zien dat het internet het product is van de Koude Oorlog en hippies die Ayn Rand gingen lezen.

Hoewel ik voor een groot deel Kuitenbrouwers kritiek deel, denk ik dat we moeten oppassen om niet te vervallen in een compleet cultuurpessimistisch verhaal. Bovendien liggen samenzweringstheorieën en ideeën over massamanipulatie op de loer, wanneer we praten over de veelal black-boxed technologie van internetgiganten als Google, Amazon en Facebook.

Aan de andere kant denk ik dat optimisme ook niet op zijn plaats is, omdat ‘het internet’ wel degelijk zorgwekkende ontwikkelingen doormaakt, die voortvloeien uit het agressieve hyperkapitalisme van deze bedrijven.

Realistische bril

Ik denk dat het belangrijk is om een realistische bril op te zetten als we kritisch ‘het internet’ willen bekijken. Wanneer we dat doen, wil ik hier betogen, zien we de pluriformiteit van zowel het internet als de publieke sfeer.

Het internet en de publieke sfeer zijn beide zulke beladen en tegelijk abstracte termen, dat we makkelijk kunnen afglijden in discussies geleid door sentimenten — met name nostalgische, over hoe vroeger alles beter was — in plaats van rationeel-kritisch debat op basis van feiten en onderzoek.

Laten mij beginnen met ‘het internet’. Moeten we ‘het internet’ reguleren, is één van de vragen die Kuitenbrouwer stelt. Voor we deze vraag kunnen beantwoorden, moeten we eerst bedenken over wélk internet we het hebben.

Gemeenschap en commercie

In het afgelopen oktober gepubliceerde artikel getiteld ‘Having it both ways’ in het wetenschappelijke blad Internet Histories schrijft Web historicus Michael Stevenson van de Universiteit van Amsterdam:

The 90s web was defined by its contradictions: amateur and professional, playful and serious, free and incorporated. Early descriptions of the World Wide Web’s significance oscillated between, on the one hand, an accessible and open alternative to walled gardens like America Online, and, on the other hand, an electronic frontier ripe for commercialization (Markoff, 1993; Wolf, 1994). Long before social media or web 2.0 became buzzwords, startups and new media gurus claimed the web was both a place of community and a place of commerce (Silver, 2008). Importantly this was not a matter of two webs existing side-by-side: the 90s web was all of these things at once. Perhaps it was this capacity for having it both ways, more than any single technical feature, that made the web feel new.

Deze omschrijving van het Web in de Jaren 90 geldt nog steeds, denk ik, en het verklaart ook de ambiguïteit en misschien wel ambivalentie van het internet vandaag de dag.

Het internet als super-infrastructuur

Hét internet bestaat niet. Uiteraard bestaat wel zoiets als een fysiek netwerk van kabels, computers, datacentra en satellieten, maar als de meeste mensen zeggen dat ze ‘op’ internet gaan bedoelen ze eigenlijk dat ze een doorgaans commerciële browser of software applicatie openen en hiermee het grootste deel van hun tijd op het ‘internet’ het commerciële web navigeren. Dit is het www, en vaak .com, .commercial, een domeinnaam die stamt uit 1985 en is gecreëerd door het Amerikaanse Ministerie van Defensie. Heel simpel gezegd: internet in deze beschrijving is de hardware voor de software van het Web. Zo beschouwd is het internet de super-infrastructuur waarop het web draait.

Ik denk dat je het internet als infrastructuur kunt en moet reguleren, al is het maar om de monopolistische natuur van grote techbedrijven te beteugelen, zoals Kuitenbrouwer ook schrijft. Om maar een voorbeeld te geven: Amazon, dat sinds vorige maand meer dan 1 triljoen dollar waard is, bezit meer dan een derde (Google 8%) van alle cloud servers en de meeste bedrijven op aarde gebruiken Amazon Web Services om hun websites te runnen. Ook de CIA maakt er gebruik van. Data is het nieuwe olie, en Amazon heeft verreweg de meeste olievelden en booreilanden. Het verschil tussen data en olie is dat olie opraakt, terwijl data alleen maar groeien. Reguleren dus.

Hoe we dit internet als infrastructuur moeten reguleren is een andere vraag. Het begint met politieke wil en deze is, schrijft Kuitenbrouwer, groeiende, zeker in Europa. Het probleem is dat Facebook, Google en Amazon globaal opereren en moeilijk legaal te bedwingen zijn. Misschien moeten we de ‘anti-trust’-wetgeving erop nalezen, of (fiscale) eisen stellen aan bedrijven voor ze datacentra bouwen in gebieden als Delfzijl.

Het internet als cultuur

Naast het fysieke internet, is er het internet als cultuur. Bij het internet als cultuur — een complex systeem van normen, waarden, uitingen en praktijken — is regulering veel moeilijker.

De term ‘het internet’ is een soort Rorschach-test: iedereen ziet verschillende dingen als we het er over hebben. ‘Het internet’ in deze zin is wat de beroemde antropoloog Claude Lévi-Strauss een ‘floating signifier’ noemde: een term die verschillende betekenissen heeft voor verschillende groepen mensen, een zwevende betekenisdrager. Voor mijn 93-jarige grootmoeder is ‘het internet’ een magisch, onbegrijpelijk en zelfs beangstigend fenomeen, terwijl het dagelijks leven van Generatie Z vervlochten is met platforms as Instagram en Whatsapp. Ze kunnen niet zonder. (Facebook doet niet meer mee, omdat hun moeders er op zitten).

Welk internet?

In de mediastudies gebruiken we de term ‘gebruikersgroepen’, om verschillende typen mediagebruikers of niet-gebruikers te onderscheiden. Voor verschillende gebruikersgroepen gelden verschillende opvattingen over ‘het internet’, wat je er mee kunt, wat normaal gedrag is, en, belangrijk in het licht van de publieke sfeer, hoe informatie van ‘het internet’ wordt beoordeeld en verwerkt.

Punt is: het op één bult gooien van internetgebruikers is net zo problematisch als het zien van hét publiek als massa. Net zo min als dat er niet één internet bestaat, bestaat er niet één internetgebruiker.

Ik denk dat we in debatten over regulering en normatieve discussies over wat het internet zou moeten zijn, duidelijk moeten zijn over wélk en wíens internet we het hebben. Hebben we het over het internet als cultuur, het internet van mijn grootmoeder, het internet van mijn 14-jarig buurmeisje, het internet als super-infrastructuur, het internet als publiek, het internet als datanetwerk, of het internet als web van commerciële platformen?

De publieke sfeer

Kuitenbrouwer schrijft dat Habermas onder mediacritici niet populair is, mede omdat hij zo onduidelijk schrijft (wat zo is, hij is een Duitse filosoof). Echter, door media-, communicatie- en politieke wetenschappers wordt Habermas nog altijd veel gelezen en gebruikt. Over het algemeen wordt zijn werk geschaard onder de normatieve filosofie en theorie. Dat wil zeggen, het beschrijft een ideale situatie, een maatschappelijk streven. In het kort is de publieke sfeer een sociale ruimte, buiten de institutionele politiek, waarin mensen op basis van degelijke informatie, rationeel-kritisch debat en op beschaafde wijze tot consensus over maatschappelijke problemen komen.

In veel onderzoek in de politieke communicatie en mediastudies wordt Habermas’ theorie getoetst aan de werkelijkheid, om te achterhalen in hoeverre deze opleeft tot het ideaal. Sinds eind jaren ’90 richtte veel van dit onderzoek zich op online fora en later op sociale media.

Wat blijkt? Ja, racisme, seksisme en onbeschoft gedrag komen voor online. Praktijken als trolling en flaming zijn aan de orde van de dag, met name op websites als 4-chan, het afvoerputje van ‘het internet’.

Maar op veel plekken op het Web zijn kenmerken van de publiek sfeer wel degelijk te zien. Denk aan: Wikipedia, specifieke groepen op Facebook, het Viva Forum (het grootste forum van Nederland, speciaal voor jonge moeders), maar ook op fora over populaire cultuur wordt volop rationeel-kritisch gedelibereerd en over politieke thema’s gesproken.

Zoek het werk van onder andere Todd Graham en Chrysi Dagoula maar eens op. Tot emotie-arme discussies en consensus komt het niet altijd, maar je moet je afvragen of dat er wel echt ooit is geweest in de 18e-eeuwse koffiehuizen die Habermas beschrijft – laat staan of dit wel wenselijk en menselijk is.

Regulering van de publieke sfeer

Kun en moet je de online publieke sfeer reguleren? Op websites met een sterke gemeenschap, zoals Wikipedia en Reddit, blijkt dat zelfregulering best goed werkt. Misschien wel te goed, outsiders worden zeer kritisch behandelt, zoals blijkt uit mijn eigen onderzoek. Op andere websites, zoals Facebook en het Viva Forum, interveniëren content moderatoren. Bij Facebook is content moderation een probleem, vooral vanwege de hoeveelheid posts die geplaatst wordt. Menselijke moderatoren, veelal uit opkomende economieën, beslissen in shifts van 8 tot 10 uur per dag of posts wel of niet op Facebook horen (kijk hier vooral de documentaire The Cleaners over).

Uit onderzoek blijkt dat wat voor het internet geldt, ook voor de publieke sfeer geldt. Die bestaat niet. Wel bestaan er tal van publieke sferen, voor tal van publieken, en die zijn er altijd geweest, ook vóór het internet. En binnen deze publieken kunnen de meeste mensen nog altijd goed de zin van de onzin onderscheiden, het nepnieuws van het échte nieuws — wat op zichzelf problematische termen zijn.

Om af te ronden. Habermas beschreef een utopische democratische situatie, vanuit een dystopisch, cultuurpessimistisch wereldbeeld. Laten we niet vergeten dat hij zijn boek schreef in een tijd waarin de toen nieuwe media technologie televisie bejubeld werd om zijn democratiserende potentie (o.a. door Marshall McLuhan), een exceptioneel medium. Ik hoop dat we zowel het utopisch denken (waaronder internet-exceptionalisme) alsook het dystopisch denken achter ons kunnen laten en met beide benen op de grond kritisch de veelvormige internetten en pluriforme publieke sferen onder de loep kunnen nemen.

Dit is een licht aangepaste versie van een reactie op Kuitenbrouwers boek tijdens een avond georganiseerd door Nieuw Licht in de Der Aa-Kerk in Groningen (11 oktober 2018).

Jan Kuitenbrouwer (2018). Datadictatuur: Hoe de mens het internet de baas blijft. 128 pagina’s. Uitgever: Prometheus.

Rik Smit

Rik Smit is universitair docent Media Studies aan de Rijksuniversiteit Groningen.
Profiel-pagina
Nog geen reactie — begin de discussie!