‘Nederland steunde ‘terreurbeweging’ in Syrië’ kopten Trouw en Nieuwsuur op 10 september dit jaar. Het baanbrekende onderzoek dat daaraan voorafging is het project van de journalisten Milena Holdert van Nieuwsuur en Ghassan Dahhan van Trouw.

Holdert vat hun project kort samen: “We zijn erachter gekomen dat Nederland logistiek materieel aan gewapende groeperingen leverde. En dat deze goederen niet zo onschuldig waren als Nederland had doen voorkomen, en de groepen ook niet.”

In een eerder interview met Trouw zegt Ghassan dat het onderzoek begon toen jullie ‘gewoon als dagelijkse bezigheid’ iets gingen opzoeken over Nederlandse steun in Syrië. Echt waar, een dagelijkse bezigheid?

Dahhan: “Het is niet zo gek, hoor. We zijn beste vrienden en hebben het vaak over dingen die spelen. Ik ben Midden-Oostenredacteur en Milena werkte lange tijd in Den Haag. Dus ik volgde niet precies wat Den Haag over dit onderwerp zei, maar wel wat in Syrië gebeurde. Zij precies andersom.”

Holdert: “Ik was net met onderzoeksjournalistiek begonnen, dus ik had de mogelijkheid om dit te onderzoeken. Ik was bezig met een onderzoek naar geldstromen uit Saudi-Arabië naar Nederland, en ineens kwam de vraag op: wat doet Nederland eigenlijk zelf in het buitenland? Dat is wellicht ook geen zuivere koffie. Ghassan stelde op een gegeven moment voor om het onderzoek samen te doen. Dat was handig, want ik heb eerder in Den Haag gewerkt en had ervaring met onderzoeksdingen, zoals wob-verzoeken. Hij kent het Midden-Oosten en spreekt Arabisch. Het was eigenlijk de perfecte combinatie.”

Wat waren de eerste stappen die jullie zetten?

Holdert: “Kamerlid Pieter Omtzigt (CDA) had al eerder vragen gesteld over het NLA-programma, het programma waarmee Nederland goederen naar rebellen in Syrië stuurde. Toen bracht het Ministerie van Buitenlandse Zaken een soort staatje naar buiten, waarin iets specifieker werd gezegd om wat voor goederen het ging.”

“We hadden een vermoeden dat het niet zou gaan om lieve kleine Fiatjes.”

Dahhan: “Daarin kwam onder meer naar boven dat er zes miljoen euro was besteed aan voertuigen en ongeveer anderhalf miljoen aan uniformen. We hadden een vermoeden dat het niet zou gaan om lieve kleine Fiatjes. Dat was echt het startpunt van ons onderzoek.”

Holdert: “Eerst gingen we om informatie vragen bij uniformspecialisten en leveranciers in Nederland. Zo wilden we achterhalen hoeveel mensen en welke groepen zijn gesteund.”

Dahhan: “We dachten dat we het zo gingen ontdekken, maar dat lukte helemaal niet. We zijn eigenlijk met een verkeerd idee begonnen. Want de uniformen, zo bleek later, werden in Turkije geproduceerd en naar de grens gebracht, dus er zijn nooit uniformen geëxporteerd.”

Holdert: “Het enige wat we wisten, was dat het om heel veel rebellen zou gaan. Maar we hadden nog steeds geen antwoord op de vraag die voor ons het belangrijkst was: welke groeperingen waren nu gesteund?”

Dus gingen jullie vanuit daar redeneren.

Dahhan: “Ja. Eerst dus vanuit de bedrijven en goederen, maar dat bleek een dood spoor te zijn. We moesten met een nieuwe formule aankomen. Wij dachten dat de Nederlanders, vanwege hun gedrag in het verleden, de Amerikanen zouden volgen. We gingen ervan uit dat Nederland alleen groepen zou steunen, die al eerder door Amerika waren gesteund. Van de Amerikanen wisten we welke groeperingen dit waren. Zo konden we de zoektocht alvast afbakenen, want er zijn in Syrië honderden groeperingen actief.

We hebben alle rapporten die het Ministerie van Buitenlandse Zaken de afgelopen drie, vier jaar heeft over Syrië geschreven uit compleet doorgespit. We kennen ze bijna uit ons hoofd.
We zochten naar interessante woorden die gebruikt werden. Wij kwamen er heel snel achter dat er onverklaarbare termen werden gebruikt.”

Holdert: “Nederland had steeds gezegd: we steunen slechts de gematigde groeperingen, maar wilde niet zeggen welke dat precies waren. Maar in openbare documenten van Buitenlandse Zaken zelf, zag je allerlei groepen die werden genoemd in combinatie met de term ‘gematigd’.”

Dahhan: “De conclusie die we daaruit konden trekken, was dat díe groeperingen eventueel in aanmerking zouden zijn gekomen voor Nederlandse steun. En als dat echt zo zou zijn, zou dat hier heel veel ophef veroorzaken.”

Want deze groeperingen zijn helemaal niet gematigd?

Dahhan: “De Nederlandse regering heeft altijd gezegd, alleen gematigde groeperingen te steunen die voldoen aan drie criteria.”

Drie criteria voor Nederlandse steun volgens de regering:
1. Voldoen aan het humanitair oorlogsrecht.
2. Werken niet samen met extremisten.
3. Streven een democratisch Syrië na.

Dahhan vervolgt: “Wij kennen inmiddels alle groeperingen in Syrië, en kennen niet één groepering die voldoet aan alle drie de criteria.”

Wanneer kwam de eerste doorbraak?

Holdert: “We hebben de hele zomer honderden gesprekken gevoerd met allemaal verschillende mensen in Syrië, Turkije, Jordanië… maar eigenlijk al na een paar weken hadden we de eerste groep.

We waren er al snel achter gekomen dat er bepaalde organisaties waren die zich bezighielden met het leveren van goederen naar Syrië, zoals het Amerikaanse bedrijf Creative Associates en het Turkse Candor International, en dit ook moesten monitoren. Op LinkedIn hebben we medewerkers en oud-medewerkers benaderd en vragen gesteld. Zo kwamen we al snel op één bepaalde naam van een groepering. Via Twitter en Facebook hebben we geprobeerd met die groep in contact te komen. Dan kom je eerst bij een soort onderofficiertje, die brengt je dan weer in contact met een hogere leider en zo gaat dat steeds verder.

Na een paar weken hadden we dus de eerste groep die zei: ‘wij hebben steun gekregen van Nederland’. We wilden dit natuurlijk wel heel goed kunnen verifiëren, zeker toen het hele programma ineens staatsgeheim was gemaakt door het Ministerie. We hebben uiteindelijk een aantal groepen, waarvan we zeker weten dat ze gesteund zijn niet in onze publicaties genoemd, omdat we ons zelf ook aan bepaalde criteria wilden houden:

1. De groep is door meerdere andere groepen genoemd.
2. We hebben een hoge leider van de groep gesproken, die de steun on the record bevestigde.
3. De leider kon namen noemen van Nederlandse ambassadeurs of leden van het Syrië-team waar hij contact mee had gehad.
4. We konden de identiteiten van de leiders met wie wij spraken verifiëren via videogesprekken.”

Dahhan: “We vroegen dan ook nooit: ken jij die en die? We stelden alleen open vragen: bijvoorbeeld wie hun Nederlandse contactpersoon was.”

En wie was de eerste hit?

Dahhan gaat verder: “Op een gegeven moment vroegen we de leider van de eerste groep, de Sultan Murad Brigade, hebben jullie ook steun gekregen van buitenlandse mogendheden? Daarop zei hij ‘ja’. En van Nederland? ‘Ja.’ Toen vroegen we: wie was jouw contactpersoon met de Nederlanders? ‘Ambassadeur Van Dam… Nikoloas van Dam’. Dat was de toenmalige Syriëgezant.”

Syrische strijders bevestigen contacten met Nikolaos van Dam Bron: www.youtube.com

Holdert: ‘Wij hadden Van Dam eerder geïnterviewd, omdat we in de openbare stukken van Buitenlandse Zaken allerlei vreemde namen tegen waren gekomen. Zo werd een tak van IS, het zogeten Shohada al-Yarmouk, als ‘gematigd’ omschreven. Toen bleek ook dat hij, die het programma moest uitvoeren, helemaal niks van de criteria wist die Buitenlandse Zaken had opgesteld en niets kon zeggen over de aard van sommige groepen. En ineens noemde één van de groeperingen hem als hun grote vriend.”

“Een rebel stuurde ons gewoon een screenshot van een visitekaartje.”

Dahhan: “Hij [de rebellenleider, red.] noemde namen van andere medewerkers van Buitenlandse Zaken die nooit in een openbaar rapport zijn genoemd, en die inderdaad onderdeel waren geweest van het project. Rebellenleiders waren in veel opzichten transparanter dan de Nederlandse regering. Die had gezegd niet transparant te kunnen zijn om de rebellen te beschermen. Maar het bleek dat de rebellen geen enkel probleem hadden om met ons te praten over de Nederlandse hulp die zij hadden ontvangen.”

Dahhan: “Hoe moeilijker het wordt, hoe inventiever je uiteindelijk wordt.”

Holdert: “Turkije heeft op het laatste moment ons journalistieke visum geweigerd. We zouden naar de grens met Syrië gaan om met rebellenleiders te praten. Rebellen zeiden dat ze meer informatie hadden, maar die niet over de telefoon konden prijsgeven. Het kan zijn dat de Turken Syrische rebellen afluisterden en geen zin in ons hadden. Daardoor werden we extra inventief en actief in het vergaren van informatie op andere manieren.”

Dahhan: “Uiteindelijk konden we tot op de millimeter op dingen inzoomen in een gebied dat zo ver weg is.”

Wat je wel niet kan met de technologie van tegenwoordig!

Dahhan: “De technologie, die Bellingcat bijvoorbeeld gebruikt, hebben we helemaal niet nodig gehad. Het ging gewoon via Whatsapp.”

Buitenlandse Zaken heeft in de zomer het programma staatsgeheim verklaard. Heeft dat een rol gespeeld bij de voortgang van het onderzoek?

Holdert: “Nee, we wisten het eigenlijk toch al! Ze gaven immers geen antwoord op onze vragen. Ook hebben we wob-verzoeken ingediend, die werden steeds vertraagd. En als we interviews met ambtenaren of ambassadeurs hadden, werden die vaak ingetrokken. We wisten bij voorbaat al: we moeten de informatie niet in Nederland bij het Ministerie halen, maar in Syrië zelf. We hebben dan ook nooit staatsgeheime documenten in handen gehad. Wat de Syriërs aan ons vertellen komt overeen met staatsgeheime informatie, maar wij zijn niet strafbaar.”

“We hebben eerst een groot net geworpen. Daarna zijn we gerichter gaan vissen.”

Dahhan: “Het mooie is dat we in Nederland eigenlijk niemand dank verschuldigd zijn. Buitenlandse zaken heeft eigenlijk alles dichtgegooid op het moment dat wij begonnen. Wij hebben alles zelf moeten halen. Dat was misschien wel het leukste dat er was…”

Holdert: “Wel moeilijker, maar veel leuker!”

Dahhan: “We hebben eerst een groot net geworpen. We stelden open vragen aan Buitenlandse Zaken, zoals: ‘kun je ons een overzicht geven van alle gematigde groeperingen in Syrië?’. En we dienden wob-verzoeken in. Daarna zijn we gerichter gaan vissen en stuitten we op dingen die we niet hadden verwacht tegen te komen.”

Zoals? Waar zijn jullie het meest van geschrokken?

Holdert: “Mag ik eerst? Vrij laat in het onderzoek kwamen wij op één naam: Jabhat al-Shamiyah, Levant Front. Die groep is door het OM als terroristisch aangemerkt. Op dit moment wordt een Nederlander vervolgd voor terrorisme, omdat hij deel had genomen aan deze groep. Het is echt ongelooflijk om te ontdekken dat Buitenlandse Zaken pick-ups levert aan zo’n groep. Hoe kan het dat één overheid zó tegenstrijdig werkt?!”

Dahhan: “Ja, dat we een overheid hebben die zoveel tegenstrijdigheden kent in zichzelf. En wat tegelijkertijd ook heel interessant is om te zien: de Kamer is door de regering, op z’n zachts gezegd, onvolledig ingelicht over dit programma. Er heeft in werkelijk iets anders en op veel grotere schaal plaatsgevonden dan is verteld.”

Verbazingwekkend was om te weten wat Nederland heeft geleverd, en welke kennis ze hadden op het moment dat ze daartoe overgingen. De Nederlandse regering kende de mensenrechtenschendingen, en heeft ondanks die wetenschap besloten pick-ups te sturen en materiaal te leveren dat voor de strijd werd gebruikt.”

Zou je kunnen zeggen dat Buitenlandse Zaken er niet van wist?

Dahhan: “Nee, om na te kunnen gaan wat Nederland wist, hebben we gebruik gemaakt van bronnen die ook altijd door de Nederlandse regering werden aangehaald…”

Holdert: “…zoals Amnesty rapporten. We hebben ze langs hun eigen lat gelegd.”

Rena Netjens stelt in haar stuk op Jalta.nl, dat niet het Ministerie van Buitenlandse Zaken, maar het OM heeft geblunderd. Hoe staan jullie daar tegenover?

Holdert: “Het is inderdaad het een of het ander: óf het OM heeft groepen [Jabhat al-Shamiyah, red.] onterecht terroristisch genoemd, óf Buitenlandse Zaken heeft terroristische groepen gesteund. Wij hebben ook nooit gezegd: dít is gematigd, dít is extremistisch, dít is terroristisch. Dat is een academische discussie waar wij buiten zijn gebleven.”

Dahhan: “Wij hebben alleen een tegenstrijdigheid waargenomen. Wat het werkelijke antwoord is moeten de partijen zelf oplossen. Wij wilden zelf dat oordeel niet vellen.”

Welke reacties zijn er verder geweest op het onderzoek?

Holdert: “Politici wilden in de eerste instantie meer weten. Er is een Tweede Kamerdebat geweest met Stef Blok. Dat debat was een beetje vreemd, omdat hij niet wilde erkennen dat bepaalde groepen daadwerkelijk waren gesteund. Hij zei steeds: als ik dat zeg, dan worden zij slachtoffer van ISIS en Assad. Het debat spitste zich zo vooral toe op de goederen.”

“Buitenlandse Zaken had ineens zelf staatsgeheim gelekt!”

Over de reactie van het Ministerie vertelt Holdert: “De wob-verzoeken die steeds waren uitgesteld, kregen we afgelopen maand ineens terug, nadát alles was gepubliceerd. In die stukken waren steeds allerlei dingen zwart gemaakt, maar op een aantal pagina’s zijn ze wat groepen vergeten. Zo stond daar toevallig de groep in die door het OM als terroristisch was bestempeld. Buitenlandse Zaken had ineens zelf staatsgeheim gelekt.”

Is Buitenlandse Zaken eigenlijk strafbaar?

Holdert: “Dat was dus de vraag. Voor onze laatste publicatie hebben we Buitenlandse Zaken dan ook ingelicht om ze de tijd te geven hierop te reageren. Uiteindelijk hebben zij alles weggehaald, maar een aantal mensen heeft het al gedownload.”

Volgens Holdert bevatten de gelekte stukken blunder na blunder: “Het blijkt dat Jabhat al-Shamiyah steun heeft gehad ná de inval in Afrin, waar Turkije samen met Syrische rebellen is binnengevallen en waar heel veel Koerden zijn verdreven. Daarvan heeft Nederland gezegd het heel ernstig te vinden en de groepen die daaraan meewerken niet te zullen steunen. Maar uit de staatsgeheime documenten is gebleken dat er nog een levering is geweest in februari, dus een maand na die inval.”

Lag de beëindiging van het NLA-programma in lijn met het begin van jullie onderzoek?

Dahhan: “NLA was gestopt een maand voor wij aan het onderzoek begonnen. Eigenlijk zijn wij op het juiste moment erin gerold. En op het moment dat de steun stopte, hadden de rebellen geen reden meer om te zwijgen over dat zij hulp hadden gekregen van Nederland, want de hulp kregen ze toch niet meer.”

Over de voorlichting van de Kamer vertelt Holdert: “Toen wij gingen publiceren in september, hebben wij Buitenlandse Zaken een week van tevoren op de hoogte gesteld en hen allerlei inhoudelijke dingen voorgelegd. Ze zijn op geen enkele vraag ingegaan. Tegelijkertijd hebben ze alvast een brief naar de Kamer gestuurd, waarin staat dat alle steunprogramma’s zijn gestopt. Zo kwam, nog voor wij gingen publiceren, in het nieuws dat alle hulp in Syrië was gestopt. Later hebben ze toegegeven dat ze dat expres hebben gedaan om ons dwars te zitten.”

Dahhan: “Zij wilden de angel eruit halen, door alvast een rapport uit te brengen, waarin ze toegeven dat een aantal dingen fout zijn gegaan. Maar de impact [van onze onderzoeksresultaten, red.] hebben ze niet kunnen voorkomen.”

Hoe was het voor jullie om dit onderzoek te doen?

Milena: “Ik ben deze zomer in ieder geval niet op vakantie geweest. We hebben de hele zomer, dag en nacht bijna, hieraan zitten werken. Ik vond het alleen maar interessant, en zeker ook belangrijk, omdat het heel veel heeft blootgelegd over informatievoorziening aan de Kamer, over welke rol Nederland speelt in buitenlandse conflicten en hoe dat schuurt met wat ze naar buiten toe uitdragen. En dat het zelfs binnen de overheid schuurt tussen wat organisaties zeggen.”

Het onderzoek kaart eigenlijk een veel breder probleem aan.

Dahhan: “Ja, het legde zoveel spanningen bloot, in één keer, in één verhaal. De spanningen binnen de coalitie, tussen de regering en de Kamer, en tussen het OM en Buitenlandse Zaken werden duidelijk.

Het verhaal kent zoveel tegenstrijdigheden: Een man wordt vervolgd voor deelname aan een groepering die later door de regering wordt gesteund; dingen worden onverklaarbaar tot staatsgeheim gebombardeerd; er staat een straf op het lekken van staatsgeheim, en tegelijkertijd staat het online; de minister zegt niets te kunnen prijsgeven om de rebellen te beschermen, terwijl de rebellen zelf alles openlijk zeggen. Het zijn een en al tegenstrijdigheden die we hebben aangetroffen.”

Zijn jullie tevreden met wat het onderzoek heeft losgemaakt?

Holdert: “Wat het losmaakt maakt voor ons eigenlijk niet uit.”

Dahhan: “We willen gewoon informatie hebben, dat is het enige doel. Het kan wel zijn dat als het iets losmaakt, de druk groter wordt om informatie prijs te geven. Maar wat wij het liefste willen, meer dan alles, is dat wij een compleet overzicht krijgen van alle groeperingen die zijn gesteund en wie daarvoor verantwoordelijk waren.

Wij hebben altijd gezegd: als de regering vanaf het begin eerlijk was geweest over dit programma, dan hadden wij geen verhaal gehad. En de regering geen toestemming van de Kamer.”

Als jullie terugkijken op het afgelopen jaar, wat zijn, naast jullie onderzoek, nog meer spraakmakende publicaties geweest?

“Oh, dat zijn er te veel om op te noemen! Ik zou bang zijn iets te zeggen, omdat ik anders anderen benadeel. Onze collega’s hebben fantastische dingen gedaan het afgelopen jaar. Meestal blijft het meest recente verhaal het meeste hangen, dus het is heel moeilijk om te beoordelen. Maar ik kan wel terugkijken op het journalistieke jaar in het algemeen en de ontwikkelingen die we hebben gezien.”

“2018 is natuurlijk het jaar van fake news.”

Zoals?

Holdert: “2018 is natuurlijk het jaar van fake news. Daarvan zeggen wij dat het altijd al heeft bestaan, dat heet gewoon propaganda. Maar het wordt dit jaar wel erg gehypet, ook door overheden zelf: door Kajsa Ollongren, door de Europese Unie… Overheden en politici moeten zich ver weg houden van journalisten doen. Begin nou zelf maar eens met transparant te zijn, in plaats van te gaan bepalen wat fake news is. Dat is een hele gevaarlijke ontwikkeling.”

Dahhan: “Wat ik ook gevaarlijk vind, is het idee dat journalisten en de regering samen willen optrekken om fake news te bestrijden. We zijn geen vrienden en dat zullen we hopelijk ook niet worden. We hebben vaak tegengestelde belangen. Zij zijn het onderwerp van ons verhaal.”

Tot slot: wat mogen we komend jaar van jullie verwachten?

Holdert: “Er komt dus nog een debat in januari. Er zijn 167 vragen ingediend die nog beantwoord moeten worden. Naar aanleiding daarvan komen heel veel interessante antwoorden. En er zijn nog wat andere dingetjes, lijntjes… waar we nog niet veel over kunnen zeggen.”

Sarah Sramota

Redacteur

Sarah Sramota is redacteur bij De Nieuwe Reporter en studeert Politieke Wetenschap aan de Universiteit Leiden. Ze volgt daarnaast de minor …
Profiel-pagina
Nog geen reactie — begin de discussie!