Hoe kunnen burgers zich snel en adequaat verdedigen tegen aanvallen in de pers? Is het zinvol daartoe een wettelijk vastgelegd antwoordrecht in te voeren zoals onze zuider- en oosterburen dat hebben in de vorm van een droit de réponse c.q. een Gegendarstellungsrecht?

Dat was enkele weken geleden aan de orde in een opiniestuk van Jan van Vegchel in Trouw. Enkele hoofdredacteuren lieten desgevraagd op De Nieuwe Reporter weten niet veel te zien in zo’n idee. Daarmee was dit proefballonnetje onschadelijk gemaakt, terwijl de vraag blijft staan: waar kan de mondige mediaconsument met zijn ongenoegen naar toe?

Partijtje mediakritiek

Een rondje langs de velden van de websites van landelijke en regionale dagbladen en omroepen plus een enkele nieuwssite maakt duidelijk dat op de meeste plaatsen de mogelijkheden om kritische opmerkingen of regelrechte klachten achter te laten vrij beperkt zijn. Meestal is er een contactformulier en een algemeen telefoonnummer en mailadres, soms van de redactie als geheel, soms per deelredactie.

Een uitvoerig colofon met alle namen van de dames en heren journalisten kom je niet zo vaak tegen. Een mailadres van al die journalisten vond ik alleen bij Het Parool. Een profielpagina per journalist trof ik nog nergens aan. Wel een lijst met foto’s en kort cv van presentatoren en redacteuren, maar dan weer zonder mailadres, bijvoorbeeld bij Brandpunt+ en De Monitor.

Op sommige sites (bijvoorbeeld bij NRC Handelsblad) is er de mogelijkheid om te reageren op een artikel door een formulier in te vullen. Daarmee kan de lezer de redacteur wijzen op een taalfout of feitelijke onjuistheid of kan hij een opmerking maken over het artikel. Ook het geven van een al dan niet anonieme tip behoort tot de mogelijkheden.

De NOS heeft voor taalfouten een speciaal mailadres en voor allerlei reacties het mailadres van de afdeling publieksreacties. In kranten staan vaak de mailadressen van de schrijvers onder de stukken. Bovendien is er altijd nog de oude vertrouwde ingezonden brief. En daarnaast kan ieder die dat wil zijn kritiek kwijt op sociale media als Twitter en Facebook. Op deze fora speelt zich van tijd tot tijd een stevig partijtje mediakritiek af.

Doelmatig en adequaat

Beter dan het invoeren van een antwoordrecht is het aanstellen van een nieuwsombudsman op iedere redactie. Hij of zij zou een belangrijke rol kunnen spelen bij het herstellen of vergroten van het vertrouwen van het publiek in de pers. Overigens is het in ons land helemaal niet zo slecht gesteld met dat vertrouwen, zo blijkt uit recent onderzoek. Ook over de betrouwbaarheid van nieuws zijn de meeste Nederlanders in deze tijden van nepnieuws en verwijten aan de “linkse en bevooroordeelde Lügenpresse” niet negatief.

Toch is er van tijd tot tijd discussie over de vraag wat redacties zouden kunnen doen om verdwijnend vertrouwen te herstellen of te vergroten. In de antwoorden op deze vragen komen steevast de volgende antwoorden terug: gewoon kwaliteit blijven leveren, transparant zijn en verantwoording afleggen. Journalisten, zo is dan de redenering, nemen alles en iedereen de maat, maar waar blijft de mediakritiek, de kritische toetsing van het journalistieke handelen aan de eigen kwaliteitsstandaarden?

Zelfkritiek en zelfreflectie is onderdeel van elke professionele beroepsbeoefening (of zou dat moeten zijn), maar in de journalistieke praktijk kan de huidige werkdruk op veel redacties met zich meebrengen dat voor reflectie op eigen en andermans handelen weinig tijd wordt uitgetrokken.

Hier kan zo’n ombudsman goede diensten bewijzen. Idealiter is dat iemand:

“die op basis van volledige onafhankelijkheid de klachten van de nieuwsconsument doelmatig en adequaat behandelt, die het journalistieke product van het medium waaraan hij is verbonden publiekelijk kritisch beoordeelt op kwaliteit en presentatie en die zijn beoordeling plaatst in het licht van relevante vraagstukken van journalistieke ethiek.”

Evers, Groenhart & Van Groesen (2009): De nieuwsombudsman [pdf].

Deze interne of externe criticus schrijft geregeld (meestal wekelijks) een rubriek waarin hij op basis van klachten of van eigen observaties het handelen van de redactie onder de loep neemt. Alleen al het feit dat er iemand is die voortdurend over de schouders van de redactie meekijkt en daar publiekelijk zijn licht over laat schijnen, is al een stimulans voor journalisten om hun werk zorgvuldig te doen.

Raad voor de Journalistiek

Heeft de mondige mediaconsument niet genoeg mogelijkheden om uiting te geven aan zijn ongenoegen? En kan in dit digitale tijdperk niet volstaan worden met de opmerking dat elke journalist zijn of haar eigen ombudsman moet zijn? Maar wat te doen wanneer journalisten niet adequaat reageren, bijvoorbeeld pas na een week met een nietszeggend tweeregelig antwoord? Of wanneer de boze burger helemáál geen antwoord krijgt? Of wanneer de ingezonden brief niet wordt geplaatst? Of wanneer de kritiek niet betrekking heeft op een artikel, maar op de koers van de krant of het programma? Of op de door journalisten gevolgde werkwijze?

Burgers kunnen met klachten toch naar de Raad voor de Journalistiek? Daarbij moet worden bedacht dat niet alle redacties meewerken met de Raad en dat in dat geval een klacht niet in behandeling wordt genomen, tenzij die klacht volgens de Raad “van algemene strekking of principieel belang is”. Ook moet een klager direct belanghebbende zijn. Dat betekent meestal dat hij in het artikel of in de uitzending genoemd wordt of herkenbaar aangeduid.

Bovendien is het in de praktijk vaak toch nog een hele stap voor mensen om met hun ongenoegen de weg naar de Raad in te slaan. Heel vaak, zo is mijn ervaring, is dat ook helemaal niet de bedoeling. Mediaconsumenten willen serieus genomen worden, willen een adequate reactie op hun kritiek. Daarom zou elke redactie een vast aanspreekpunt moeten hebben waar de lezer, kijker of luisteraar met vragen, opmerkingen of kritiek terecht kan.

Dat zou een ombudsman of lezersredacteur kunnen zijn zoals we die kennen. Meestal afkomstig uit de gelederen van de redactie zelf. Soms een extern ombudsman zoals de schrijver van dit artikel. Het zou ook een ombudsfunctie kunnen zijn in de vorm van een lezersredactie, althans wanneer men daar met vragen, opmerkingen, kritiek en klachten terecht kan.

Genderneutrale ombudsman

Tien jaar geleden, zo blijkt uit een inventarisatie [pdf], telde ons land bij de landelijke media twee ombudsmannen, namelijk bij de Volkskrant en de NOS. Daarnaast waren er bij de regionale dagbladen acht lezersredacteuren en één ombudsman. Het AD had eerder ook een ombudsman en daarna een uit negen personen bestaande lezersredactie die in de landelijke editie en in de regionale titels een rubriek hadden waarin ze uitleg gaven en inspeelden op vragen van lezers.

Nu, tien jaar later, zijn de lezersredacteuren bij de regionale dagbladen verdwenen. De landelijke kranten de Volkskrant, NRC Handelsblad en Trouw hebben een ombudsman. Bijna twee jaar geleden benoemde de NPO een ombudsman bij wie het publiek terecht kan met opmerkingen en klachten over alle journalistieke programma’s (zowel radio als televisie als online) van alle publieke omroepen. In de wereld van de regionale kranten en omroepen is er welgeteld één (externe) ombudsman, namelijk bij het dagblad De Limburger.

Overigens is de term ‘ombudsman’ een uit het Zweeds afkomstige, genderneutrale term waarmee zowel mannen als vrouwen worden aangeduid. Daarom heeft de NPO een vrouwelijke ombudsman! Soms wordt de term ‘nieuwsombudsman’ gebruikt om verwarring met bijvoorbeeld de Nationale Ombudsman te voorkomen. In mijn eigen praktijk als ombudsman is het wel eens voorgekomen dat iemand mailde in de veronderstelling met de Nationale Ombudsman te maken te hebben.

Meer criticus dan uitlegger

Hoe onafhankelijk is zo’n nieuwsombudsman eigenlijk? Die vraag is niet onbelangrijk, zeker wanneer hij of zij afkomstig is uit de eigen redactie en/of op de loonlijst staat van het mediabedrijf waarover hij of zij geacht wordt zich kritisch uit te laten. Vaak is er een statuut waarin die onafhankelijke positie is vastgelegd. Doorgaans legt de ombudsman zijn column vooraf voor aan de hoofdredactie, overigens enkel ter informatie. Uiteindelijk is en blijft de hoofdredactie immers verantwoordelijk voor de gehele redactionele inhoud van een krant.

De vraag hoe kritisch en onafhankelijk een ombudsman zich opstelt, kan, althans ten dele, beantwoord worden door de columns te analyseren zoals onderzoekers dat deden [pdf]. Dan blijkt dat de ombudsman zich afwisselend opstelt als uitlegger van redactionele praktijken en van het redactionele beleid en als huiscriticus van datzelfde beleid. Ook worden zij door de eigen redactie(s) wel eens benaderd om achteraf hun oordeel te geven over het journalistieke proces of product. Zo dragen zij bij aan de transparantie van en de verantwoording door de nieuwsmedia.

Idealiter is een ombudsman meer criticus dan uitlegger. Hij is vooral de luis in de pels van de redactie die een stevige bijdrage levert aan de kwaliteit van het journalistieke product. Wanneer de nieuwsmedia vertrouwen willen winnen of vergroten door “gewoon kwaliteit te blijven leveren”, zou het aanstellen van een nieuwsombudsman een stevige impuls daartoe kunnen zijn.

Huub Evers

Huub Evers was docent media-ethiek en lector aan Fontys Hogeschool Journalistiek in Tilburg. Hij is lid van de Raad voor de Journalistiek …
Profiel-pagina
Al één reactie — discussieer mee!