In de veertig jaar dat ik mij bezighoud met journalistiek heb ik mijn vak ingrijpend zien veranderen. Vermoedelijk geldt dit voor ongeveer alle generaties journalisten tot nu toe, het nieuwsbedrijf is nu eenmaal een dynamische, turbulente industrie, maar tot ongeveer het moment waarop ik journalist werd, gingen die veranderingen gepaard met groei en bloei. Sindsdien gaan zij gepaard met krimp. De journalistiek die ik betrad was nog een blakende, optimistische bedrijfstak, met glamour, flair en zelfvertrouwen. Vandaag is de stemming eerder zorgelijk, onzeker en bedrukt.

De transformatie heeft vele gezichten. Sociaal: institutioneel gebonden journalistiek maakte plaats voor onafhankelijke. Politiek: volgzaam werd kritisch. Commercieel: productgericht werd marktgericht. Cultureel: vertrouwen maakte plaats voor wantrouwen. En tot slot, vanuit filosofisch perspectief: modern werd postmodern.

Tendens tot narrativisme

Al deze aspecten werken op elkaar in, maar waar ik mij nu vooral op wil richten is die laatste transitie: van modern naar postmodern. Of, zo men wil, van objectief naar subjectief. Dat is waar de ‘narratieve journalistiek’ in het spel komt, of een term die ik liever gebruik: het narritivisme. Het essay op Follow The Money dat voor u de aanleiding was mij te vragen uw conferentie te openen, is door sommigen opgevat als een aanval op de ‘narratieve journalistiek’, maar zij hebben niet goed gelezen: het gaat mij om gaat de tendens tot narrativisme in de journalistiek als geheel

Ik vertel u niets nieuws als ik zeg dat de commerciële levensvatbaarheid van de traditionele nieuwsmedia onder druk staat. U zult zich er ook bewust van zijn dat het publieke vertrouwen in de journalistiek afneemt. En alsof dat nog niet erg genoeg is: oplossingen voor het eerste probleem lijken het tweede alleen maar te verergeren – en vice versa. Zo staan de hedendaagse nieuwsmedia voor een haast onmogelijke balanceertruc: optimaliseer voor publieksbereik en het wantrouwen stijgt, optimaliseer voor vertrouwen en het bereik daalt.

Postmodernisme

De journalistiek zoals wij haar kennen ontstond in de tweede helft van de negentiende eeuw, hoogtij van het modernisme. Modernisme als in: de opkomst van het positivisme, het empirisme en de overtuiging dat er zoiets bestaat als een objectieve werkelijkheid die door de wetenschap kenbaar kan worden gemaakt. Nieuwe technologie, zoals de telegraaf, de rotatiepers en het gemotoriseerd transport, hebben de kracht van de journalistiek in korte tijd vertienvoudigd. In een paar uur tijd kan één krantenbericht iemands reputatie maken of breken, een beurskoers door het dak of naar de kelder jagen.

Dit vroeg om regulering van het vakgebied, zowel bij wet als door middel van professionele, ethische codes. Wat in een krant stond moest waarheidsgetrouw, bewezen en objectief zijn. Hierdoor groeiden de status en het gezag van de journalistiek en groeide de pers uit tot wat wij nu plechtig aanduiden als De Vierde Macht, de onaangelijnde waakhond van de macht, cruciale pilaar van de democratie, Koningin Der Aarde zelfs, etc. etc.

Maar het modernisme werd opgevolgd door postmodernisme: het idee dat objectieve kennis een illusie is, dat ‘feiten’ niets dan een sociaal construct zijn, een product van perspectief en interpretatie, niet objectief maar subjectief. De filosofie maakte een paradigmawisseling door, de ‘linguistic turn’: het enige wat wij hebben zijn woorden. Discours, taal, narratief.

Dit was een uiterst krachtig idee, net zoals het modernisme daarvoor was geweest, en het heeft onze cultuur getransformeerd.

New Journalism

Onder andere de geschiedkunde omarmde deze stroming. De postmodernist Louis Mink zei: ‘Verhalen worden niet beleefd, ze worden verteld’ Zoals Theo Maassen ooit zei: ‘In het veertigste jaar van de Tachtigjarige Oorlog was er niemand die zei: ‘Godzijdank dat we halverwege zijn!’ De Nederlandse filosoof Frank Ankersmit, een van de bedenkers van het begrip narrativisme, zei eens: ‘Als modernisme de vloed van kennis zou zijn, dan was het postmodernisme de eb.’ We kennen de geschiedenis niet, we vertellen er verhalen over.

Ook de  journalistiek, het notitieboek van de geschiedenis, volgde deze trend en de ‘New Journalism’ kwam op: journalistiek die de notie van objectiviteit verwierp, die afstand nam van het idee van de journalist als informant, om plaats te maken voor de journalist als storyteller. Journalisten werd verheven van ‘machines, mechanically reproducing reality, voyeurs, never really taking part in society’, zoals de pershistoricus Elizabeth Farkas het formuleerde, tot een persoonlijkheid met een eigen visie, identiteit en stem. Ook de journalistiek werd ‘postmodern’.

Ik was een fervent aanhanger van deze stroming, en lege mijzelf erop toe als verslaggever voor de Haagse Post. Het motto voor mijn eindthesis kwam van Hunter S. Thompson, een van mijn voorbeelden.

‘Objective journalism is a hard thing to come by these days. With the possible exception of things like box scores, race results, and stock market tabulations, there is no such thing as Objective Journalism. The phrase itself is a gross contradiction in terms.’

New Journalism produceerde talrijke bestsellers, het succes werkte besmettelijk en ook de traditionele nieuwsmedia begonnen elementen ervan over te nemen: meer reportages, columns, interviews en opinie.

Meer thematisch

Er zijn diverse manieren om journalistieke vertelwijzen te categoriseren. Er is het IP-format, eind negentiende eeuw geïntroduceerd door Associated Press, naar inverted piramid (omgekeerde piramide), waarbij de feiten naar ‘gewicht’ worden gerangschikt met het zwaarste bovenaan en het lichtste onderop, in Nederland ook wel de 5 W’s genoemd (wie, wat, waar, wanneer en waarom). Een ‘non-lineaire’ vorm – geen verhaallijn, slechts een ‘opsomming’ van feiten. Daar tegenover staan lineaire vertelvormen: de tekst volgt een verhaallijn van het begin tot de ontknoping.

Een andere tweedeling – geïntroduceerd door de politicoloog Shanto Iyengar – is die van ‘thematisch’ versus ‘episodisch’. In een thematisch stuk wordt het onderwerp vanuit verschillende kanten van een afstand beschouwd, alvorens de beschikbare informatie af te wegen. In een episodisch stuk wordt het onderwerp beschreven aan de hand van mensen en lotgevallen.

In de hedendaagse journalistiek is het eerste genre op z’n retour en het tweede in opkomst. Narratieve (‘episodische’) journalistiek is omarmd als remedie voor het verlies van publiek waar de traditionele media mee te kampen hebben. Meer mensen, meer drama, meer real life, meer persoonlijke ervaringen, meer emotie. Meer storytelling.

Er is geen twijfel dat deze trend de journalistiek nieuw leven in heeft geblazen. Maar niet zij is zonder risico’s. Onlangs nog schreef Sjoerd de Jonge, ombudsman van NRC Handelsblad over een lezer die zich stoort aan het overmatig gebruikt van anekdotische en narratieve elementen om artikelen op te fleuren, vaak geforceerd, voorspelbaar en niets toevoegend. De Jong erkende de klacht: NRC bevat inderdaad veel storytelling. Misschien zelfs te veel.

Journalistieke integriteit

Ook deze conferentie bewijst maar weer dat narratieve journalistiek in opkomst is. Maar hoe zit het met de verhouding tussen die twee: waar houdt storytelling op journalistiek te zijn?

Zaterdag zal Dan Reed, de maker van Leaving Neverland, de slotlezing van deze conferentie geven. De VPRO, journalistiek gezien naar mijn smaak de meest ambitieuze en gewetensvolle omroep van Nederland, zond zijn documentaire recentelijk uit. Het is narratief, dat lijdt geen twijfel, maar is het journalistiek?

Twee mensen uiten vier uur lang beschuldigingen van de meest afgrijselijke misdrijven, begaan door Jackson en zijn entourage. En naast deze schijnbaar oneindige en uiterst gedetailleerde aanklacht was er geen ruimte om de beschuldigde partij voor zelfs maar tien minuten een podium te geven?

Zeker, persoonlijke ervaringen zijn legitiem materiaal voor een journalistiek verhaal, maar keiharde beschuldigingen van strafbare feiten aan een met name genoemd persoon, dood of levend, zijn dat naar mijn mening uitsluitend wanneer de maker ook wederhoor pleegt en de beschuldigde zijn of haarkant van het verhaal laat vertellen. Slechts tien minuten van wederhoor had van deze film kunnen verheffen van laster en geruchtmakerij tot integere journalistiek. Men zou zich daarom moeten afvragen of de maker van een dergelijk product wel thuishoort op een conferentie over narratieve journalistiek.

Even gênant is het feit dat de VPRO naar aanleiding van commotie rondom het uitzenden van de film besloot een studiopanel in te schakelen om de inhoud te relativeren, maar voor dat panel vervolgens niet één kritische spreker uitnodigde, maar uitsluitend getuigen a charge. De enige journalist in het panel was de medewerker die de film voor de VPRO had ingekocht. In een aantal uur werd hier de reputatie van een man onherstelbaar beschadigd, zonder dat iemand zich uit zijn naam heeft kunnen verweren – dat is exact wat journalistiek niet zou moeten doen.

Zelf heb ik geen mening over of Michael Jackson deze daden wel of niet heeft gepleegd, en ik heb ook geen belang bij zijn veroordeling of zijn vrijspraak. Waar ik wel belang bij heb is journalistieke integriteit, en wat dat betreft was dit een pijnlijk moment.

Ik sluit niet uit dat wij de dag zullen meemaken waarop blijkt dat Leaving Neverland één gigantische, briljante hoax is, opgezet om een schadeclaim van tientallen, mogelijk honderden miljoenen in de wacht te slepen, bijvoorbeeld. Al ben ik meer geneigd te denken dat de maker van deze film oprecht is en zijn keuzes ideëel gemotiveerd zijn. Maar ook dat is onverenigbaar met de principes van het journalistieke vak.

Narratief

Feiten kunnen correct of incorrect zijn – laten we de discussie daarover even achterwege laten – een narratief is veel lastiger te valideren. Dat is het grootste probleem waar de narratieve journalistiek mee te kampen heeft: niet alleen journalisten vertellen verhalen, iedereen doet het.

Dat is een andere belangrijke verandering die zich voordeed in de 40 jaar dat ik in de journalistiek zit: de vorming van wat je het ‘PR-Industriële Complex’ zou kunnen noemen. Instituties laten de manier waarop zij in de publiciteit komen niet meer het toeval over, zij zijn proactief geworden en hebben een leger aan storytellers op de been gebracht. Die plaatsen zich tussen de journalist en zijn onderwerp en sturen mee, richting het gewenste resultaat. De media snakken naar narratief, zij verschaffen het. Journalisten hebben steeds minder te maken met mensen die iets doen en steeds meer met mensen die iets vertellen.

Een interessant voorbeeld was Lance Armstrong. Hij beheerste dit spel als geen ander. Hij wist dat zolang hij de media een onweerstaanbaar narratief voorzette, zij  hem niet zouden aanvallen. Hij bleef de inzet verhogen, en jaar met jaar werd zijn narratief groter en krachtiger. En het vooruitzicht voor de media om dit machtige verhaal te verliezen werd steeds minder aantrekkelijk. (Totdat één narratief-immune, feiten-gedreven journalist er toch doorheen prikte). Waarmee hij het bedrog van Armstrong onthulde, maar ook de medeplichtigheid van vrijwel de gehele sportjournalistiek, die te veel belang had bij het onwaarschijnlijke Armstrong-sprookje.

Een ander voorbeeld is natuurlijk Donald Trump. In een op feiten gerichte mediacultuur zou hij, als pathologische fabulant, geen schijn van kans hebben gemaakt. In een journalistiek die feiten eerst checkt en dan publiceert, zou hij domweg niet op de radar verschijnen. Maar het verhaal Trump was gewoon te lucratief om te laten liggen, en elke journalist die vandaag hielp om hem iets groter te maken, kon daar morgen al van profiteren. Trump wist dit en molk het uit. Door het bizarre narratief gaande te houden én door iedere mogelijkheid aan te grijpen om het publieke vertrouwen in de journalistiek te ondermijnen, mochten er toch belastende feiten over hem ontdekt worden.

Rekenen op de journalistiek

Hoe tegennatuurlijk het ook voelt, voor mij als  oud-‘new journalist’ en liefhebber van narratieve journalistiek, maar het huidige tijdsgewricht vraagt om een feiten-gedreven journalistiek, in plaats van narrativisme. Immers, als de journalist als informant plaats maakt voor de journalist als storyteller, wat gebeurt er dan met het publieke vertrouwen in de Vierde Macht? Of misschien moeten we niet spreken van vertrouwen (trust), maar van ‘reliance’ (rekenen op).

Als een steunpilaar van onze democratie moet de journalistiek door de burgers niet alleen vertrouwd worden – vertrouwen is een emotie – maar moeten zij er op kunnen rekenen, bij het vergaren van objectieve informatie en het maken van doordachte, geïnformeerde keuzes, als kiezer, als burger. Als de journalistiek dit gezag verliest, deze status en autoriteit, hebben we een groot probleem.

Ten slotte: een thematisch stuk over bijvoorbeeld armoede behoeft een alomvattende, diepgaande – en overigens niet per se objectieve – benadering, terwijl episodische stukken het product zijn van verdergaande keuzen dan het onderwerp alleen: welke arm persoon gebruiken we als voorbeeld? Iemand die zijn leven weer op de rails krijgt of iemand die eraan onderdoor gaat? Interview je een man of vrouw, een stedeling of dorpeling, een wit of zwart persoon, een (ex-)verslaafde of een crimineel zelfs?

In zijn boek Is Anyone Responsible laat de eerder genoemde Shanto Iyengar zien dat hoe meer episodische berichtgeving een nieuwsconsument tot zich neemt ten koste van thematische stukken, des te meer hij geneigd is om te denken dat zaken zoals armoede het gevolg zijn van louter persoonlijk gedrag in plaats van de sociale omgeving. En om te denken dat de oplossing ligt in het veranderen van individuele keuzes, in plaats van structureel overheidsbeleid. Met andere woorden: episodische journalistiek maakt ons a-politiek. Dus, zijn wij niet bezig met het overschatten van de Macht van Verhalen? Bieden verhalen ons wel de empowerment die eraan wordt toegeschreven, of is het slechts een soort schijn-empowerment?

Bestaansrecht

Ik zocht het woord ‘storyteller’ op en vond synoniemen en variaties als ‘minstreel’, ‘troubadour’, ‘raconteur’ en ‘bard’. Sindsdien denk ik bij het lezen van het woord storyteller altijd aan een beeld uit de laatste pagina van een Asterix en Obelix-stripboek. Het avontuur is afgelopen, alles is weer onder controle, de dorpsbevolking komt bijeen voor een serieus feestmaal, maar niet voordat zij Kakofonix de bard met een prop in zijn mond aan een dikke boom hebben gebonden. Erg serieus werd hij blijkbaar niet genomen.

Narratieve journalisten hebben een grote verantwoordelijkheid: om goede verhalen te vertellen, maar vooral ook om goede journalisten te zijn. Het is van belang dat zij nadenken wat voor hen het belangrijkst is: het zelfstandig naamwoord in hun beroep, of het bijvoeglijke.

Deze tekst is uit het Engels vertaald door Sarah Sramota.

Jan Kuitenbrouwer

Jan Kuitenbrouwer is freelance journalist, columnist en schrijver.
Profiel-pagina
Nog geen reactie — begin de discussie!